
Platformen als X, Facebook, Instagram, LinkedIn en YouTube zijn inmiddels infrastructuren voor publiek debat, maar de manier waarop ze worden ontworpen en gereguleerd kijkt volgens onderzoeker Roxanne van der Puil nog te eenzijdig naar waarheid, kennis, autonomie en transparantie. Dat stelt zij in haar proefschrift Will democracy survive social media? Designing and regulating social media for democracy, waarop zij eind 2025 promoveerde aan de Technische Universiteit Eindhoven.
Van der Puil onderzoekt hoe in de Europese Unie en de Verenigde Staten wordt gediscussieerd over ontwerp en regulering van sociale media. De centrale vraag is hoe sociale mediaplatforms zo kunnen worden ontworpen en gereguleerd dat zij beter aansluiten bij democratische waarden. Daarbij richt zij zich vooral op commerciële platformen waarop gebruikers zelf content plaatsen, publiek met elkaar interacteren en waar politieke of maatschappelijke discussies plaatsvinden. Voorbeelden zijn X, Facebook, Instagram, LinkedIn en YouTube.
Volgens het proefschrift is het debat over sociale media en democratie te sterk gaan draaien om zogenoemde epistemische waarden: waarheid, kennis, nauwkeurigheid, autonomie en transparantie. Die waarden zijn belangrijk, maar vormen slechts één deel van democratie. Andere democratische waarden, zoals inclusie, empathie, diversiteit en zelfbestuur, krijgen volgens Van der Puil veel minder aandacht. Dat is riskant, omdat een democratie niet alleen draait om correcte informatie, maar ook om de manier waarop burgers met elkaar samenleven, botsende waarden verdragen en gezamenlijk besluiten nemen.
Het proefschrift laat zien dat veel bestaande maatregelen tegen de schadelijke effecten van sociale media vooral kennisgericht zijn. Denk aan factchecks, waarschuwingen bij misleidende informatie, bronverwijzingen, transparantie over algoritmes, meer gebruikerscontrole en maatregelen tegen desinformatie. Zulke ingrepen kunnen nuttig zijn, maar zijn volgens Van der Puil onvoldoende wanneer ze niet worden aangevuld met oplossingen die sociale samenhang, wederzijds begrip en democratische deelname versterken.
Een belangrijk voorbeeld is X, voorheen Twitter. Van der Puil beschrijft hoe het platform begon als een communicatiemiddel met hoge democratische verwachtingen, onder meer door de rol van Twitter bij protesten en realtime nieuwsverspreiding. Later kwamen advertentiemodellen, algoritmische aanbevelingen, strengere moderatie en vervolgens onder Elon Musk juist weer een sterke nadruk op “free speech absolutism”. Die ontwikkeling laat volgens het proefschrift zien dat sociale media niet vanzelf democratisch of antidemocratisch zijn. Hun effect hangt af van ontwerpkeuzes, bedrijfsmodellen, moderatiebeleid en wetgeving.
Daarmee raakt het onderzoek aan een actueel Europees debat. De EU probeert met onder meer de Digital Services Act, Digital Markets Act en AI Act meer grip te krijgen op grote online platformen. In de Verenigde Staten ligt de nadruk veel sterker op vrijheid van meningsuiting en is de juridische bescherming voor platformen traditioneel ruimer. Volgens Van der Puil botsen hier verschillende opvattingen over democratie: moet platformregulering vooral vrijheid van expressie beschermen, of juist zorgen voor betere publieke deliberatie, veiligheid en democratische verantwoordelijkheid?
Een opvallend onderdeel van het proefschrift is empirisch onderzoek in Nederland naar zogenoemde post-truth-houdingen. Daarbij onderzocht Van der Puil of mensen hun overtuigingen eerder baseren op emoties dan op wetenschap, en of dat samenhangt met sociale mediagebruik. Uit het onderzoek blijkt dat mensen die sociale media als voorkeursbron voor nieuws gebruiken gemiddeld hoger scoren op post-truth-houdingen dan mensen die dat niet doen. Ook blijkt dat meer tijd op sociale media samenhangt met sterkere post-truth-houdingen. Tegelijk nuanceert Van der Puil het alarmisme: zelfs onder mensen die sociale media als nieuwsbron verkiezen, worden wetenschappelijk onderbouwde argumenten gemiddeld nog steeds hoger gewaardeerd dan emotionele onderbouwingen.
Het onderzoek maakt bovendien onderscheid tussen actief en passief gebruik. Passief scrollen blijkt niet significant samen te hangen met sterkere post-truth-houdingen, maar actief gebruik — zoals posten, reageren, delen of communiceren — wel. Dat wijst erop dat niet simpelweg “op sociale media zitten” het probleem is, maar vooral de sociale en interactieve mechanismen die bepaalde vormen van overtuiging, emotie en groepsdynamiek kunnen versterken.
Voor de mediasector is het proefschrift relevant omdat sociale media steeds vaker functioneren als publieke ruimte, nieuwsdistributeur, debatplatform en politieke arena tegelijk. De vraag is daardoor niet alleen hoe desinformatie moet worden bestreden, maar ook hoe online omgevingen kunnen bijdragen aan een democratische cultuur. Een platform dat alleen inzet op correctie van feiten, maar weinig doet aan empathie, inclusie en zelfbestuur, kan volgens Van der Puil alsnog bijdragen aan polarisatie en verlies van sociale samenhang.
De kern van het proefschrift is daarom dat ontwerpers, beleidsmakers en toezichthouders breder moeten denken. Democratische sociale media vragen niet alleen om betere factchecks, transparantere algoritmes of meer individuele keuzevrijheid, maar ook om ontwerp- en reguleringskeuzes die burgers helpen om samen te discussiëren, meningsverschillen te verdragen en zich als onderdeel van een democratische gemeenschap te gedragen.
Van der Puil concludeert dat de vraag of democratie sociale media overleeft geen vaststaand ja of nee kent. Sociale media zijn geen natuurverschijnsel, maar ontworpen technologieën. Juist daarom kunnen ze ook anders worden ingericht. De uitdaging is om platformen niet alleen te optimaliseren voor bereik, relevantie of engagement, maar voor een bredere democratische publieke ruimte.
WAARDEER DIT ARTIKEL!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage, dan kan dat. Zo help je onafhankelijke mediajournalistiek in stand houden.
