De groeiende macht van de mediawaakhond roept vragen op

De discussie over de onafhankelijkheid van het Commissariaat voor de Media krijgt een nieuwe lading door eerder gepubliceerde uitingen van voorzitter Amma Asante, recent openbaar gemaakte Woo-stukken en het in april gepubliceerde Jaarverslag 2025 van de toezichthouder. Vooral de combinatie van Asantes politieke verleden, eerdere publieke uitspraken en de nadrukkelijke aandacht van het Commissariaat voor Ongehoord Nederland roept vragen op over de schijn van vooringenomenheid bij politiek gevoelige omroepdossiers. Ook het gegeven dat het Commissariaat zich nadrukkelijker op het terrein van digitale informatievoorziening wil begeven, waar ook nieuws buiten de traditionele omroep- en mediasector circuleert, ligt precair. Formeel betekent dit niet automatisch dat het CvdM toezicht houdt op alle online nieuwsaanbieders, maar de toezichthouder agendeert wel steeds nadrukkelijker de rol van platforms, algoritmes en sociale-mediafeeds in de nieuwsvoorziening.

Uit de Woo-stukken bleek eerder al dat het Commissariaat intern overlegde over kritiek op de politieke achtergrond van Asante en over mogelijke vooringenomenheid in dossiers rond Ongehoord Nederland. Aanleiding was de Spreekbuis-blog van Ton Verlind over de vraag of uitbreiding van de bevoegdheden van het Commissariaat een bedreiging kan vormen voor onafhankelijke journalistiek.

In dat artikel werd gewezen op de politieke achtergrond van Asante. Zij was eerder Tweede Kamerlid voor de PvdA en werd online ook in verband gebracht met BIJ1, dat in het maatschappelijk debat in het algemeen gezien wordt als activistische en radicaal-linkse partij.  Het Commissariaat reageerde daarop dat Asante “geen lid” is van BIJ1 en ook “geen lid van een politieke partij”. Die formulering is relevant, omdat “geen lid zijn” iets anders is dan “nooit lid zijn geweest”.

Reactie CvdM

Uit een e-mail van woordvoerder Gert-Jan Hartlief aan Ton Verlind blijkt dat het Commissariaat stelde: “Amma is geen lid van BIJ1, en ook niet van de PvdA, ze is helemaal geen lid van een politieke partij. We zullen dat op Wikipedia laten aanpassen.” Kort daarna verdween de vermelding van haar lidmaatschap van BIJ1 uit de online Wiki-informatie. Daarmee werd vooral benadrukt dat Asante op dat moment geen partijlid meer was, maar niet expliciet ontkend dat zij eerder bij BIJ1 betrokken is geweest.

Juist dat onderscheid is van belang. Een voormalig politiek lidmaatschap hoeft op zichzelf geen belemmering te zijn voor een toezichthoudende functie. Ook het Commissariaat wijst erop dat lidmaatschap van een politieke partij volgens de Mediawet niet automatisch strijdig is met een bestuursfunctie bij de toezichthouder. Maar juridisch toelaatbaar is niet hetzelfde als bestuurlijk onkwetsbaar. Zeker bij politiek beladen dossiers kan de schijn van partijdigheid al voldoende zijn om vragen op te roepen. Wanneer zij haar lidmaatschap heeft opgezegd is niet bekendgemaakt.

Daarbij komen eerdere publieke uitingen van Asante. In een bijdrage uit 2020 schreef zij over “rechts-extremistisch Nederland” en stelde zij dat hun boodschap, “geschreeuw, ophitserij, polarisatie en vocabulaire”, te veel zou zijn overgenomen. Ook schreef zij: “Daar waar we hadden moeten zeggen: u gaat te ver. Ik trek hier een grens.” In een andere post uit maart 2021 verwees zij naar BIJ1 en schreef zij: “Uitsluiting mag nooit normaal worden en heeft een sterk tegenkracht nodig. Daarom BIJ1!”

Ook andere uitingen passen in dat beeld. Op een pagina waarin Asante als voorzitter van de Landelijke Cliëntenraad werd opgevoerd, noemde zij als rolmodellen onder anderen Jerry Afriyie, Sylvana Simons, Akwasi Owusu Ansah, Quinsy Gario, Gloria Wekker en Philomena Essed. In een Facebookpost uit maart 2021 deelde zij bovendien een beeld met de tekst “Welkom bij BIJ1!”, met daarbij de woorden: “Eerste stap is gezet. Dit gaat niet vanzelf veranderen. Ik moet meer doen!”

Een deel van deze uitingen lijkt inmiddels niet of moeilijk vindbaar. Zoals eerder aangegeven is de Wikipedia-vermelding waarop eerder werd gewezen, aangepast. Dat bewijst op zichzelf niets over de inhoudelijke besluitvorming van het Commissariaat, maar het maakt de kwestie wel gevoeliger. Het gaat immers niet alleen om het huidige formele partijlidmaatschap, maar ook om eerdere politieke betrokkenheid, publieke sympathieën en de manier waarop daarover wordt gecommuniceerd.

Tegen die achtergrond valt ook het Jaarverslag 2025 van het Commissariaat op. Daarin schrijft Asante in haar voorwoord dat het Commissariaat “doelgericht, datagedreven en risicogestuurd toezicht” houdt en zijn inzet bepaalt aan de hand van waar de grootste risico’s worden gezien voor pluriform en betrouwbaar media-aanbod. Het jaarverslag noemt drie centrale focusthema’s: robuuste nieuwsvoorziening, goed functionerende publieke media en een veilige online omgeving voor jongeren.

Juist binnen dat kader springt de behandeling van Ongehoord Nederland in het oog. In het hoofdstuk over landelijke publieke omroepen schrijft het Commissariaat dat het zich in 2025 “genoodzaakt” zag “disproportioneel veel aandacht” aan Ongehoord Nederland te besteden. ON! staat sinds augustus 2024 onder verscherpt, risicogestuurd toezicht. Volgens het Commissariaat waren er ernstige risico’s op het gebied van governance en integriteit en kwamen er aanhoudende klachten en meldingen binnen over de journalistieke kwaliteit van het aanbod. De onderzoeken leidden in 2025 tot een boete, een officiële waarschuwing en een last onder dwangsom.

Dat is opmerkelijk omdat ON! binnen het publieke bestel een relatief kleine omroep is. Toch wordt Ongehoord Nederland in het Jaarverslag 2025 opvallend vaak expliciet genoemd. Op basis van de tekst van het rapport, inclusief tabellen en koppen, komt Ongehoord Nederland of ON! in totaal 11 keer voor: één keer als “ON”, vier keer als “ON!” en zes keer als “Ongehoord Nederland”. Ter vergelijking: de NPO wordt 17 keer genoemd, AVROTROS 3 keer, NOS 1 keer, HUMAN 1 keer en KRO-NCRV en Omroep Zwart helemaal niet. Daarmee krijgt deze relatief kleine omroep in het jaarverslag bijna evenveel expliciete aandacht als de NPO als systeemorganisatie.

Ook in het overzicht van nieuwsberichten van het Commissariaat komt ON! meerdere keren terug. Op 11 maart 2025 publiceerde het Commissariaat een reactie op berichtgeving door ON!, op 23 september volgde een reactie op filmpjes van ON! en op 30 oktober meldde het Commissariaat dat het een boete had opgelegd aan ON!. Andere afzonderlijke omroepen worden in dat overzicht veel minder vaak bij naam genoemd. Is sprake van een kruistocht tegen een mini-omroep met omstreden opvattingen, of ziet de mediawaakhond vooral uitzonderlijk veel journalistieke tekortkomingen bij een aspirant-omroep?

De nadruk op ON! maakt de vraag naar de schijn van vooringenomenheid extra relevant. Een toezichthouder mag een kleine of omstreden omroep uiteraard streng controleren, zeker als daar aanleiding toe is. Maar omdat het Commissariaat zijn toezicht zelf als risicogestuurd omschrijft, moet het ook kunnen uitleggen waarom juist deze omroep zoveel aandacht krijgt. Bij een ideologisch beladen dossier hoort extra transparantie over proportionaliteit, selectiecriteria en de waarborg dat politieke of persoonlijke opvattingen van bestuurders geen rol spelen.

De discussie staat bovendien niet op zichzelf. In november 2025 uitte voormalig Brandpunt-journalist Ton Verlind in de PowNed-podcast Op z’n Kop! al zorgen over de groeiende invloed van het Commissariaat op de journalistieke onafhankelijkheid binnen de publieke omroep. Volgens Verlind wordt in Hilversum te weinig openheid gegeven over ontwikkelingen die kunnen uitmonden in directe sturing van journalistieke keuzes.

Verlind stelde dat het Commissariaat, gesteund door enkele politieke partijen, onderzoekt of bestaande journalistieke codes een wettelijke grondslag moeten krijgen. Dat zou betekenen dat programma’s die zo’n code schenden, niet alleen door een ombudsman worden beoordeeld, maar mogelijk ook kunnen worden aangepakt of beboet. Volgens Verlind is het College van Hoofdredacteuren van de publieke omroep “buitengewoon ongerust” over deze ontwikkeling.

Ook plaatste Verlind vraagtekens bij de rol van Asante. Hij noemde haar een oud-politicus met activistische tendensen en stelde dat zo’n profiel lastig te verenigen is met de neutraliteit die van een mediatoezichthouder mag worden verwacht. Volgens Verlind is het onacceptabel dat achter de schermen wordt gesproken over sturing van journalistiek zonder dat daarover een brede publieke discussie plaatsvindt.

De discussie draait daarbij niet uitsluitend om de vraag of Asante op dit moment lid is van een politieke partij. In het openbaar bestuur geldt vaak dat niet alleen de feitelijke onafhankelijkheid van belang is, maar ook de vraag of die onafhankelijkheid voor buitenstaanders voldoende zichtbaar en geloofwaardig is. Juist bij toezichthouders die opereren op politiek en maatschappelijk gevoelige dossiers kan daarom ook de schijn van partijdigheid onderwerp van debat worden, los van de vraag of er daadwerkelijk sprake is van politieke beïnvloeding.

Daarmee raakt de kwestie aan een bredere vraag: hoe ver mag een toezichthouder gaan in het beoordelen van journalistieke kwaliteit, governance, cultuur en interne normen binnen publieke omroepen? Het Commissariaat stelt dat het onafhankelijk van de politiek toezicht houdt op naleving van de Mediawet. Tegelijkertijd wil het een grotere rol spelen bij goed functionerende publieke media, sociale veiligheid, governance en mogelijk ook de verankering van journalistieke normen.

Dat hoeft juridisch niet onjuist te zijn. Maar bestuurlijk en journalistiek is het kwetsbaar. Een onafhankelijke toezichthouder moet niet alleen onafhankelijk zijn, maar ook iedere redelijke schijn van politieke vooringenomenheid vermijden. Zeker wanneer die toezichthouder meer bevoegdheden wil, sancties oplegt aan omroepen en zich begeeft op het gevoelige terrein van journalistieke kwaliteit.

Spreekbuis heeft Amma Asante over deze kwesties meermaals benaderd voor een interview, maar tot op heden is daarop niet ingegaan. Juist dat uitblijven van een inhoudelijke toelichting maakt de discussie niet kleiner, maar groter.

De kernvraag blijft daarom overeind: kan een mediatoezichthouder die zijn rol uitbreidt richting journalistieke kwaliteit, publieke omroepcultuur en online informatievoorziening, overtuigend onafhankelijk opereren wanneer er tegelijk vragen bestaan over politieke achtergrond, persoonlijke opvattingen en de selectie van risicodossiers?