
Bij de publieke omroep is jaren geleden al vastgesteld dat kijk- en luistercijfers alleen onvoldoende zeggen over de werkelijke impact van een omroep. Het gehanteerde credo: publieke waarde laat zich niet uitsluitend meten in bereik. Ook media-aandacht, maatschappelijke agendering, politieke doorwerking en zelfs Kamervragen kunnen iets zeggen over de betekenis van programma’s en omroepen. Als je die meetlat hanteert, is Ongehoord Nederland misschien wel een van de meest impactvolle omroepen van de afgelopen jaren. Alleen is de aard van deze impact qua Kamervragen en media-aandacht vooral problematisch en ging het niet om maatschappelijke vraagstukken die aan de kaak werden gesteld, maar vooral om de omroep zelf.
ON! stond minder vaak in de belangstelling vanwege spraakmakende journalistiek, vernieuwende formats of programma’s die het publieke debat inhoudelijk verder brachten, maar bovengemiddeld vaak in het nieuws door klachten, sancties, toezichtstrajecten, juridische procedures, bestuurlijke spanningen en discussies over journalistiek. Maar publieke impact en publieke ophef zijn niet hetzelfde, hoe verleidelijk het soms ook is om die twee door elkaar te halen. Maar in Hilversum begint die redenering inmiddels behoorlijk sleets te worden.
De maat lijkt nu bij de andere omroepen vol. De omroepen, met uitzondering van de taakomroepen NOS en NTR, zouden een gezamenlijke conceptbrief (brandbrief) hebben opgesteld aan minister Rianne Letschert, waarin zij aandringen op actie. Hun boodschap: Ongehoord Nederland beschadigt het gehele publieke bestel. Dat is nogal wat. Omroepen zijn doorgaans niet vies van onderlinge concurrentie, profilering en politieke schermutselingen, maar een gezamenlijk signaal richting Den Haag is een zwaarder instrument. Het laat zien dat de ergernis niet langer alleen gaat over smaak, stijl of politieke kleur, maar over de vraag of een omroep nog functioneert binnen de basisregels van het publieke bestel. Daar komt bij dat ON! financieel steeds meer verstrikt raakte door de vele conflicten. In 2025 ging naar schatting circa 10 procent van de totale uitgaven van Ongehoord Nederland op aan juridische kosten en de financiële gevolgen van toezichtstrajecten, bezwaarprocedures, boetes en mogelijke sancties. Dat is fors voor een omroep waarvan de middelen primair bedoeld zijn voor programma’s en de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
Een groot deel van die kosten had betrekking op verweer tegen sancties en toezichtstrajecten. ‘Verdedigingskosten’ dus. Maar ON! heeft ook zelf juridische stappen gezet. Ook dat kost veel geld. En dat geld kan niet tegelijkertijd worden besteed aan redacties, research, eindredactie, opleiding, programmatische vernieuwing of journalistieke professionalisering. Daar wringt het.
Toch is het ontstaan van Ongehoord Nederland niet alleen een verhaal over ON! zelf. Het is ook het resultaat van gemiste kansen bij de bestaande omroepen. Jarenlang is onvoldoende aangevoeld dat er rechts van het midden een grote veranderende maatschappelijke onderstroom zat. Een deel van het publiek voelde zich niet herkend, niet serieus genomen of zelfs weggezet.
Andere omroepen zijn er niet in geslaagd dat gat overtuigend, journalistiek verantwoord en herkenbaar in te vullen. Eerst kwamen Powned WNL, die het gat slechts deels wisten te dichten. Daarna kwam Ongehoord Nederland, dat nadrukkelijker aansluiting zocht bij dat sentiment, maar volgens de visitatiecommissie onvoldoende wist te vertalen naar een journalistiek professionele en evenwichtige aanpak.
Daarmee is ON! tegelijk symptoom van een bredere ontwikkeling én onderdeel van de huidige spanning binnen het bestel. De omroep ontstond omdat er ruimte lag. Maar de manier waarop die ruimte vervolgens is ingevuld, heeft de discussie niet opgelost, maar verder verhard.
Spreekbuis stelde eerder deze week terecht de vraag of het Commissariaat voor de Media niet moet waken voor de schijn van een kruistocht tegen specifiek Ongehoord Nederland. Juist een mediawaakhond moet boven iedere twijfel verheven zijn. Neutraliteit moet niet alleen bestaan, maar ook zichtbaar en geloofwaardig zijn. Zeker in politiek gevoelige dossiers.
Maar die vraag ontslaat ON! niet van zelfreflectie. Je kunt je gelijk niet blijven halen door voortdurend de betrouwbaarheid van alle instituties ter discussie te stellen die je een spiegel voorhouden. Op een zeker moment dreigt zo’n houding minder als kritische reflectie te worden gezien en meer als een manier om inhoudelijke kritiek te ontwijken. Dan ontstaat het risico dat elke tik op de vingers wordt gezien als bewijs van vooringenomenheid, en elke kritiek als aanval op de vrijheid van meningsuiting. Die redenering is op termijn echter moeilijk vol te houden.
Een rechtse omroep is onmisbaar binnen het publieke bestel. Niet als excuus, maar als democratische noodzaak. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Pluriformiteit betekent ook dat opvattingen rechts van het midden een herkenbare plek moeten hebben in de publieke media. Maar publieke omfroep bedrijven vraagt meer dan alleen ‘oppositie voeren’ tegen het bestel waar je zelf onderdeel van bent.
Een omroep moet weten hoe journalistiek werkt. Hoe eindredactie werkt. Hoe wederhoor werkt. Hoe bestuurlijke verhoudingen werken. En ja, ook hoe omroeppolitiek werkt. Zeker in een bestel waarin je moet samenwerken met andere omroeporganisaties, de NPO, toezichthouders en uiteindelijk ook de politiek in Den Haag. Jan Slagter begrijpt dat spel als geen ander. MAX heeft een uitgesproken profiel, soms scherpe belangen en een duidelijke achterban, maar weet zich al jaren staande te houden in de slangenkuil van Hilversum zonder zijn identiteit te verliezen. Dat is geen toeval. Dat is professionaliteit, strategie en gevoel voor verhoudingen.
Een activistische toon kan aandacht opleveren, maar aandacht vertaalt zich niet automatisch in gezag. En zonder voldoende journalistiek gezag wordt zelfs terechte kritiek minder overtuigend. Tegelijkertijd zouden de andere omroepen zich niet te comfortabel achter hun gezamenlijke brief moeten verschuilen. Want wat in die klaagzang grotendeels ontbreekt, is zelfreflectie. Als zij ON! werkelijk overbodig willen maken, moeten zij zich afvragen waarom er überhaupt ruimte ontstond voor een omroep als ON!.
Het is te makkelijk om alleen naar Ongehoord Nederland te wijzen en te zeggen: zij zijn het probleem. Een substantieel deel van Nederland haakt af bij de publieke omroep of voelt zich er onvoldoende in vertegenwoordigd. Ruim 30 procent van de Kamerzetels bevindt zich inmiddels rechts van de VVD. Dat betekent niet dat al die kiezers dagelijks naar ON! kijken, of dat zij allemaal dezelfde mediavoorkeuren hebben. Er zijn ongetwijfeld PVV-stemmers die naar de EO kijken, JA21-kiezers die BNNVARA-programma’s waarderen en BBB-stemmers die gewoon Heel Holland Bakt willen zien zonder enige ideologische bijsluiter. De meeste Nederlanders zijn namelijk niet de hele dag bezig met politiek. Laat staan met omroeppolitiek. Zij willen herkenning, betrouwbaarheid, rust en kwaliteit. Niet voortdurend loopgraven, procedures en institutionele ruzies.
Daar ligt de kern. ON! zou er goed aan doen minder nadruk te leggen op de eigen slachtofferpositie en meer op journalistieke en organisatorische versterking. De andere omroepen zouden moeten ophouden doen alsof het probleem alleen bij ON! ligt en erkennen dat zij zelf jarenlang te weinig gevoel hebben gehad voor een veranderend maatschappelijk landschap en in sommige gevallen zich daar zelfs tegen hebben afgezet.
Een publiek bestel dat werkelijk pluriform wil zijn, moet ruimte bieden aan rechts van het midden. Maar die ruimte moet wel uiteraard professioneel worden ingevuld. Niet met een aanpak die tegendraads wil zijn, maar journalistiek onvoldoende uitpakt. En ook niet met morele zelfgenoegzaamheid van omroepen die pas wakker worden als het probleem een ledenomroep is geworden. De impactmeter slaat rood uit. Niet omdat Ongehoord Nederland geen bestaansrecht heeft, maar omdat het publieke bestel blijkbaar nog steeds niet goed weet hoe het met ongemakkelijke pluriformiteit moet omgaan. En omdat ON! Nog onvoldoende lijkt te onderkennen dat duurzame erkenning niet vooral via juridische procedures ontstaat, maar via journalistieke kwaliteiten.
