
Vandaag lag het ‘Evaluatierapport Focus op Kernwaarden’ over de NPO in de bus en daarbij ook het vorige rapport over de periode 2017-2019.
De twee rapporten lezen bijna als een kroniek van een bestel dat al jaren dezelfde diagnose krijgt, maar telkens in een andere taal. In 2019 ging het nog over “slagvaardigheid”, governance en de spanning tussen omroepen en bestuur. In 2026 is de toon existentiëler geworden: een publieke omroep die zijn positie dreigt te verliezen in een medialandschap dat wordt gedomineerd door platforms, algoritmes en internationale techbedrijven.
“In het rapport concludeert de commissie dat de publieke omroep op een kritiek punt staat in zijn levensloop en op dit moment een duidelijke, gezamenlijke strategie mist om haar kernwaarden ook in de toekomst te waarborgen.” Staat letterlijk aan de Minister.
De omgeving verandert sneller dan het bestel zelf.
In 2019 constateerde de evaluatiecommissie nog dat Nederland “een publieke omroep heeft om trots op te zijn”, met relatief bescheiden middelen en een groot bereik. Tegelijkertijd werd al gewezen op de interne stroperigheid, de bestuurlijke spanningen en het ontbreken van een gezamenlijke langetermijnstrategie. De oplossing lag volgens de commissie destijds niet opnieuw in nieuwe wetgeving, maar in houding, gedrag en samenwerking. Dat was een opmerkelijke observatie, omdat de reflex in Hilversum en Den Haag juist vaak institutioneel is: nieuwe structuren, nieuwe regels, nieuwe lagen toezicht.
Zeven jaar later klinkt dezelfde ondertoon nog steeds door, alleen harder. De nieuwe evaluatiecommissie spreekt inmiddels van een publieke omroep op “een kritiek punt in zijn levensloop”. Waar vroeger commerciële zenders de voornaamste concurrenten waren, zijn dat nu mondiale technologieplatforms geworden die niet alleen distributie beheersen, maar ook aandacht, data en aanbevelingen. YouTube, TikTok en Netflix functioneren feitelijk als de nieuwe poortwachters van het publieke debat. Dat verandert de aard van het probleem fundamenteel.
De publieke omroep dacht lange tijd nog vanuit zenders, netten en programmering. De nieuwe machtscentra denken vanuit infrastructuur, gedrag en algoritmes. Niet het programma staat centraal, maar de distributielaag eromheen. De evaluatie van 2019 zag dat eigenlijk al aankomen. Daar werd uitgebreid beschreven hoe het medialandschap verschoof van lineair kijken naar on-demand, mobiel en platformgedreven gebruik. Maar ergens bleef het bestel toch redeneren alsof het vooral een organisatorisch vraagstuk was.
Dat zie je ook terug in de huidige discussie over “omroephuizen”. Minder spelers, meer centralisatie, minder bestuurlijke drukte. Het klinkt rationeel. Misschien is het dat ook. Maar de vraag dringt zich op of schaalvergroting op zichzelf voldoende antwoord biedt op een systeem dat in essentie technologisch en cultureel is veranderd. Een publieke omroep kan efficiënter georganiseerd worden, maar dat betekent nog niet automatisch dat hij maatschappelijk relevanter wordt.
Interessanter is misschien wat beide rapporten impliciet blootleggen: het voortdurende spanningsveld tussen pluriformiteit en bestuurbaarheid. Het Nederlandse bestel is gebouwd op representatie van stromingen. Dat maakt het rommelig, traag en conflictgevoelig, maar ook herkenbaar Nederlands. Juist die imperfectie was decennialang onderdeel van de legitimiteit. De vraag is nu hoeveel van die pluriformiteit overeind blijft wanneer het bestel steeds meer moet functioneren als één strategische organisatie tegenover mondiale platforms met vrijwel onbeperkte schaal.
Tegelijkertijd klinkt in het nieuwste rapport een tweede zorg door die breder is dan Hilversum alleen: de erosie van vertrouwen. De commissie benadrukt voortdurend “kwaliteit en betrouwbaarheid” als kernwaarden, maar merkt ook op dat die waarden onvoldoende zichtbaar worden gemaakt richting het publiek. Dat is een opvallende passage. Niet omdat journalistieke normen ontbreken, maar omdat burgers steeds minder zicht hebben op de mechanismen achter journalistieke zorgvuldigheid. In een wereld waarin algoritmische snelheid dominant wordt, verdwijnt het proces achter de informatie uit beeld.
Misschien zit daar wel de diepere crisis van de publieke omroep. Niet alleen in bereik of financiering, maar in de vraag of instituties nog herkenbaar kunnen uitleggen waarom zij anders functioneren dan een platform.
De ironie is dat de publieke omroep juist in een tijd van fragmentatie misschien relevanter is dan ooit. Alleen opereert hij nog grotendeels met structuren en reflexen uit een tijdperk waarin aandacht schaars was, distributie nationaal georganiseerd kon worden en vertrouwen min of meer vanzelfsprekend was. De rapporten laten zien dat die wereld langzaam verdwenen is. Niet abrupt, maar jaar na jaar, evaluatie na evaluatie.
