
Soms zegt een bioscoopbezoek meer over de toekomst van de creatieve sector dan een stapel beleidsnota’s. Dat gevoel bekroop mij na het zien van The Backrooms van Kane Parsons en Obsession van Curry Barker. Beide films maakten indruk door hun kwaliteit, hun originaliteit en hun vakmanschap, maar vooral doordat zij laten zien hoe snel de economische en creatieve spelregels van de sector veranderen.
Kane Parsons was nog een tiener toen hij vanuit zijn slaapkamer korte horrorfilms begon te maken rond het internetfenomeen The Backrooms. Met behulp van vrij beschikbare software bouwde hij complete werelden die miljoenen kijkers trokken op YouTube. Wat begon als een experiment groeide uit tot een wereldwijd fenomeen. Uiteindelijk leidde dat tot een samenwerking met A24, de studio achter films als Everything Everywhere All At Once en Midsommar. Zijn speelfilmversie van The Backrooms werd gemaakt voor ongeveer tien miljoen dollar, een bescheiden bedrag naar Hollywood-maatstaven, maar groeide uit tot een internationale hit die inmiddels honderden miljoenen dollars heeft opgebracht.
Het verhaal van Curry Barker volgt een vergelijkbaar patroon. Ook hij begon buiten de traditionele filmindustrie en bouwde via YouTube een publiek op. Zijn film Obsession werd geproduceerd voor ongeveer 750.000 dollar, een bedrag dat in de wereld van grote studio’s nauwelijks nog opvalt. Toch wist de film wereldwijd een publiek te bereiken dat normaal gesproken alleen is weggelegd voor producties met budgetten die vele malen hoger liggen. De verhouding tussen investering en opbrengst is zo uitzonderlijk dat Hollywood er inmiddels met grote belangstelling naar kijkt.
Wat deze verhalen interessant maakt, is dat zij niet in de eerste plaats gaan over film. Zij gaan over de manier waarop technologie de voorwaarden voor creativiteit verandert. Generaties filmmakers waren afhankelijk van studio’s, distributiekanalen, dure apparatuur en een beperkt aantal partijen die bepaalden welke ideeën een kans kregen. Parsons en Barker laten zien dat een groot deel van die infrastructuur niet langer vanzelfsprekend nodig is om een publiek te bereiken. Moderne software, digitale effecten, online distributie en steeds krachtigere technologische hulpmiddelen maken het mogelijk om met relatief beperkte middelen producties te realiseren die vroeger alleen binnen grote organisaties denkbaar waren.
Juist daarom vormen deze filmmakers een interessant contrast met het debat dat in Nederland vaak wordt gevoerd over de toekomst van de creatieve sector. Daar gaat het gesprek regelmatig over de risico’s van technologie, de macht van platforms, de invloed van kunstmatige intelligentie en de positie van Big Tech. Dat zijn belangrijke onderwerpen en het zou onverstandig zijn om de risico’s te negeren. Tegelijkertijd ontstaat daardoor soms de indruk dat technologie vooral iets is waartegen makers zich moeten beschermen.
De verhalen van Parsons en Barker laten een andere werkelijkheid zien. Voor hen is technologie geen externe bedreiging, maar een creatieve hefboom. Niet de omvang van de organisatie bepaalt wat mogelijk is, maar de combinatie van talent, verbeeldingskracht en het vermogen om nieuwe middelen effectief te gebruiken. Waar eerdere generaties vooral afhankelijk waren van toegang tot kapitaal, worden de kansen voor nieuwe makers steeds vaker bepaald door hun vermogen om beschikbare technologie creatief in te zetten.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op voor een Nederlandse sector die veel tijd besteedt aan discussies over bescherming, regulering en financiering. Natuurlijk blijven subsidies, publieke investeringen en culturele infrastructuur belangrijk. Maar wanneer vrijwel het gehele debat draait om wat technologie afneemt, dreigt uit beeld te raken wat technologie toevoegt. De opmerkelijkste ontwikkeling van dit moment is immers niet dat grote technologiebedrijven invloed hebben gekregen, maar dat individuele makers over middelen beschikken die twintig jaar geleden alleen beschikbaar waren voor grote studio’s.
Misschien ligt daar de belangrijkste les van The Backrooms en Obsession. Creatieve vernieuwing ontstaat zelden doordat bestaande structuren worden beschermd. Zij ontstaat meestal wanneer nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen en een kleine groep makers besluit daar iets mee te doen wat niemand had voorzien. Parsons en Barker laten zien hoe krachtig die combinatie kan zijn. Terwijl een deel van de creatieve sector zich vooral bezighoudt met de vraag hoe de invloed van Big Tech kan worden beperkt, gebruiken zij precies diezelfde technologie om een wereldwijd publiek te bereiken.
Dat maakt hun succes meer dan een interessant filmverhaal. Het maakt het een spiegel voor een creatieve sector die zich misschien wat vaker zou mogen afvragen welke kansen zij over het hoofd ziet wanneer zij vooral kijkt naar wat verloren dreigt te gaan. Daarbij hoeft technologie niet te worden omarmd als oplossing voor alles. Nieuwsgierigheid is voorlopig al voldoende. Dat is tenslotte waar vrijwel iedere creatieve doorbraak ooit mee begon.
