
Afgelopen week schreef ik op deze plek dat AI een nieuwe inkomstenbron is geworden voor nieuwsorganisaties. Terwijl het publieke debat nog altijd wordt gedomineerd door vragen over auteursrecht en rechtszaken, blijken AI-bedrijven inmiddels bereid aanzienlijke bedragen te betalen voor professionele journalistiek. Naar aanleiding daarvan heb ik de internationale markt voor AI-licenties in de nieuwssector verder laten onderzoeken. De uitkomsten bevestigen de gedachte achter mijn eerdere column, maar laten tegelijkertijd zien dat de werkelijke verandering veel dieper gaat dan de vraag wie voor welk artikel betaalt.
De discussie over AI en journalistiek wordt namelijk nog steeds gevoerd alsof het vooral draait om het gebruik van historische artikelen als trainingsmateriaal. Dat is begrijpelijk, omdat de eerste rechtszaken precies daarover gingen. Maar wie de overeenkomsten bestudeert die bijvoorbeeld OpenAI, Google, Microsoft, Mistral, Apple en Perplexity de afgelopen twee jaar met nieuwsorganisaties hebben gesloten, ziet dat de markt zich inmiddels in een heel andere richting ontwikkelt. Niet de historische archieven staan centraal, maar de voortdurende toegang tot actuele, gecontroleerde en betrouwbare journalistiek.
Daarmee verandert ook de economische positie van de journalistiek. Zij is niet langer uitsluitend een eindproduct dat via een krant, website of app de burger bereikt, maar ontwikkelt zich steeds nadrukkelijker tot de informatie-infrastructuur waarop AI-systemen hun antwoorden baseren. De waarde zit daardoor niet meer alleen in het artikel zelf, maar in de kwaliteit van het journalistieke proces dat eraan voorafgaat: het controleren van bronnen, het verifiëren van feiten, het aanbrengen van context en het dragen van redactionele verantwoordelijkheid
Juist daarom is het opvallend dat het begrip ‘AI-licentie’ in de praktijk veel meer omvat dan doorgaans wordt gedacht. Uit het onderzoek blijkt dat partijen inmiddels afzonderlijk onderhandelen over verschillende rechten, zoals het trainen van modellen, het ophalen van actuele informatie, het gebruiken van journalistiek als onderbouwing van AI-antwoorden, het tonen van samenvattingen en het verwijzen naar de oorspronkelijke bron. Wat voor buitenstaanders vaak één overeenkomst lijkt, blijkt in werkelijkheid een verzameling van verschillende rechten te zijn, die elk een eigen economische waarde vertegenwoordigen.
Die ontwikkeling wordt zichtbaar bij vrijwel alle grote internationale spelers. OpenAI sloot overeenkomsten met onder meer News Corp, Financial Times, Le Monde en Axel Springer. Google gebruikt Associated Press om Gemini voortdurend van actuele informatie te voorzien. Mistral doet hetzelfde met AFP. Perplexity kiest weer voor een model waarin uitgevers delen in de opbrengsten van het gebruik van hun journalistiek, terwijl Microsoft werkt aan een marktplaats waarop uitgevers zelf kunnen bepalen onder welke voorwaarden hun informatie beschikbaar wordt gesteld. Apple wil het nieuws door Siri laten verspreiden en heeft daar veel geld voor over. Gezamenlijk laten deze voorbeelden zien dat de markt zich ontwikkelt van incidentele licentieovereenkomsten naar een structurele markt voor informatie.
Voor Nederland is dat een ontwikkeling die moeilijk kan worden genegeerd. Voor zover publiek bekend hebben DPG Media, Mediahuis Nederland, het ANP, Talpa en de NPO nog geen vergelijkbare overeenkomsten aangekondigd. Dat hoeft niet te betekenen dat er geen gesprekken plaatsvinden, want dergelijke onderhandelingen verlopen vrijwel altijd vertrouwelijk. Wel betekent het dat dit het moment is waarop de sector moet bepalen welke positie zij in deze nieuwe markt wil innemen.
Die discussie zou wat mij betreft niet moeten beginnen met de vraag hoeveel geld een licentie kan opleveren, maar met de vraag welke rechten Nederlandse uitgevers eigenlijk willen verlenen en welke zij juist willen behouden. Nog belangrijker is de vraag of individuele uitgevers ieder voor zich willen onderhandelen met mondiale technologiebedrijven, of dat samenwerking uiteindelijk een sterkere uitgangspositie oplevert. In een relatief kleine taalmarkt ligt het risico immers voor de hand dat de onderhandelingsmacht steeds verder verschuift naar een beperkt aantal internationale AI-platforms.
Daarmee komen we uiteindelijk uit bij de vraag die misschien wel belangrijker is dan alle financiële discussies bij elkaar. Als burgers hun informatie steeds vaker via AI-assistenten ontvangen, verschuift ook de plek waar vertrouwen wordt opgebouwd. De kwaliteit van de journalistiek blijft daarbij essentieel, maar wordt niet langer uitsluitend bepaald door wat een redactie publiceert. Minstens zo belangrijk wordt de manier waarop die journalistiek uiteindelijk haar weg vindt naar de antwoorden die AI-systemen dagelijks aan miljoenen mensen geven.
Juist daarom gaat deze ontwikkeling uiteindelijk veel minder over technologie dan over de inrichting van onze toekomstige informatievoorziening. De journalistiek wordt niet vervangen door AI; zij wordt de grondstof waarop AI zijn betrouwbaarheid bouwt. De vraag is daarom niet óf professionele journalistiek waarde heeft. Die waarde wordt inmiddels wereldwijd erkend. De werkelijke vraag is of Nederland op tijd bepaalt onder welke voorwaarden die waarde beschikbaar komt.
Het volledige onderzoeksrapport From Training Data to Information Infrastructure kan gratis worden gedownload via https://resources.polders.media. Daarin wordt uitgebreid beschreven hoe deze nieuwe markt zich ontwikkelt en welke strategische keuzes de Nederlandse mediasector zal moeten maken.
