
Ik merk dat de discussie over AI in de journalistiek nog vaak wordt gevoerd alsof het vooral een juridisch vraagstuk is. Mogen AI-bedrijven journalistieke artikelen gebruiken? Moeten zij daarvoor betalen? En wat als zij dat zonder toestemming hebben gedaan? Dat zijn begrijpelijke vragen, maar terwijl wij daar nog over discussiëren, heeft zich onder de radar al een geheel nieuwe markt ontwikkeld. Niet voor advertenties. Niet voor abonnementen. Maar voor journalistiek zelf.
Waar nieuwsorganisaties hun inkomsten jarenlang vrijwel uitsluitend haalden uit lezers en adverteerders, blijkt inmiddels een derde inkomstenbron te ontstaan. De afnemers zijn niet langer burgers, maar kunstmatige intelligenties. OpenAI sloot overeenkomsten met onder meer de Financial Times, News Corp, Associated Press, Le Monde, Axel Springer, Vox Media en Time. Amazon bereikte een overeenkomst met The New York Times. Ook Perplexity bouwt inmiddels een uitgebreid netwerk van uitgevers waarmee het afspraken maakt over gebruik, bronvermelding en vergoedingen.
Dat zijn geen experimentele projecten meer. Er gaan inmiddels honderden miljoenen dollars om in deze markt. De overeenkomst tussen OpenAI en News Corp vertegenwoordigt volgens verschillende internationale media een waarde van meer dan 250 miljoen dollar over vijf jaar. De Financial Times ontvangt naar verluidt jaarlijks enkele miljoenen dollars. Andere uitgevers spreken niet over bedragen, maar niemand twijfelt eraan dat journalistiek in korte tijd een nieuwe economische waarde heeft gekregen.
Dat is opmerkelijk, want nog geen twee jaar geleden leek het alsof AI vooral een bedreiging vormde voor de journalistiek. Er werden rechtszaken aangekondigd, uitgevers waarschuwden voor auteursrechtenschendingen en velen voorspelden dat AI het verdienmodel van de sector zou ondermijnen. Die zorgen zijn niet verdwenen, maar tegelijkertijd blijkt een deel van de markt een andere conclusie te hebben getrokken. Als AI een nieuwe manier wordt waarop burgers informatie ontvangen, dan is het misschien verstandiger om afspraken te maken over kwaliteit, transparantie en vergoeding dan om uitsluitend de juridische strijd aan te gaan. De vraag is namelijk niet alleen wie de journalistiek betaalt, maar ook hoe burgers haar straks nog ervaren.
Gedurende tientallen jaren was de route overzichtelijk. Een journalist schreef een artikel. De burger bezocht een website of sloeg een krant open. De uitgever verdiende aan advertenties of abonnementen. AI voegt daar een nieuwe laag tussen. Steeds vaker zal een burger eerst een antwoord krijgen van een AI-assistent, die vervolgens verwijst naar de oorspronkelijke bron. Dat lijkt misschien een klein verschil, maar economisch en maatschappelijk is het enorm. De journalistiek verschuift langzaam van eindproduct naar infrastructuur. Zij wordt steeds vaker de betrouwbare motor onder antwoorden die elders worden gepresenteerd.
Juist daarom zijn de huidige licentieovereenkomsten zo interessant. AI-bedrijven betalen namelijk allang niet meer uitsluitend voor historische archieven waarmee modellen kunnen worden getraind. Minstens zo belangrijk is de voortdurende toegang tot actuele, gecontroleerde en betrouwbare informatie. Dat is precies waar professionele redacties zich onderscheiden van de overvloed aan informatie die dagelijks op internet verschijnt. De waarde zit niet alleen in het artikel, maar in het proces dat eraan voorafgaat: het controleren van bronnen, het wegen van feiten, het aanbrengen van context en het nemen van redactionele verantwoordelijkheid.
In Nederland blijft het vooralsnog opvallend stil. Voor zover publiek bekend hebben DPG Media, Mediahuis Nederland en de NPO nog geen vergelijkbare commerciële overeenkomsten aangekondigd met OpenAI, Anthropic, Google of andere grote aanbieders van generatieve AI. Dat betekent niet dat er geen gesprekken plaatsvinden; zulke onderhandelingen verlopen vrijwel altijd achter gesloten deuren. Toch roept het wel de vraag op welke positie de Nederlandse journalistiek wil innemen.
Dat is geen onbelangrijke vraag. Nederland kent een relatief kleine taalmarkt waarin de journalistiek al jarenlang onder economische druk staat. Als internationale AI-bedrijven bereid blijken tientallen miljoenen dollars te betalen voor hoogwaardige Engelstalige journalistiek, is het niet ondenkbaar dat ook Nederlandse redacties op termijn onderdeel worden van die markt. Voor individuele uitgevers kan dat aantrekkelijk zijn. Tegelijkertijd ontstaat het risico dat ieder afzonderlijk onderhandelt, terwijl de echte machtsbalans juist ligt bij de grote internationale technologiebedrijven.
Misschien is dat uiteindelijk wel de belangrijkste ontwikkeling die we nu zien. De afgelopen twintig jaar draaide vrijwel iedere innovatie in de media om distributie. Eerst namen zoekmachines een deel van de relatie met het publiek over. Daarna volgden sociale media. Nu verschijnt AI als een nieuwe schakel tussen burger en journalistiek. Dat hoeft geen slechte ontwikkeling te zijn, mits de journalistiek niet alleen leverancier wordt van informatie, maar ook invloed houdt op de manier waarop die informatie burgers bereikt.
Want uiteindelijk gaat deze discussie veel minder over technologie dan over vertrouwen. Als AI straks voor miljoenen mensen de eerste toegangspoort tot nieuws wordt, dan bepaalt niet alleen de kwaliteit van de journalistiek hoe goed burgers geïnformeerd zijn, maar ook de kwaliteit van de afspraken die redacties vandaag met die nieuwe poortwachters weten te maken.
