
Politieke cartoons behoren tot de oudste en meest waardevolle tradities van een vrije samenleving. Ze mogen schuren, overdrijven en provoceren. Sterker nog, hun kracht zit juist in het vermogen om complexe maatschappelijke ontwikkelingen terug te brengen tot één beeld dat meer zegt dan een pagina tekst ooit kan. Macht moet tegen een stootje kunnen en politici al helemaal.
Toch is niet iedere vorm van satire hetzelfde. Er bestaat een verschil tussen spot, kritiek en demonisering. Dat verschil werd vorige week zichtbaar in drie cartoons van verschillende tekenaars op het ‘Joop’ platform van BNNVARA, waarin politica Lidewij de Vos centraal stond. Hoewel de stijl van de tekeningen uiteenliep, was de onderliggende boodschap opmerkelijk consistent. Via hakenkruizen, Hitler-achtige beeldtaal en verwijzingen naar het nationaalsocialisme werd niet zozeer een politiek standpunt bekritiseerd, maar werd de persoon zelf geplaatst in de zwaarst denkbare morele categorie die Europa kent.
Dat maakt deze cartoons fundamenteel anders als de klassieke politieke prent waarin een bestuurder wordt neergezet als ijdel, onbekwaam of wereldvreemd. De boodschap is niet langer dat iemand een verkeerde analyse maakt of een onwenselijk standpunt inneemt. De boodschap wordt dat deze persoon behoort tot dezelfde morele familie als het nazisme. In de communicatieleer geldt dat als de zwaarste vorm van politieke delegitimatie. Niet omdat zij verboden zou zijn, maar omdat zij de tegenstander niet langer presenteert als een legitieme deelnemer aan het democratische debat.
Wie de cartoons naast elkaar legt, ziet bovendien dat het niet gaat om één toevallige verwijzing. Drie verschillende tekenaars komen uit bij hetzelfde frame. In de eerste cartoon wordt de suggestie gewekt dat achter een vriendelijke en toegankelijke presentatie iets schuilgaat dat rechtstreeks met het nationaalsocialisme wordt verbonden. In de tweede verschijnt een Hitler-achtige figuur achter het spreekgestoelte van de democratie. In de derde wordt zelfs in een ogenschijnlijk huiselijke setting het hakenkruis opnieuw zichtbaar gemaakt. Dat patroon is relevant omdat herhaling een krachtig mechanisme is in politieke communicatie. Wat eerst een provocatie lijkt, kan door herhaling veranderen in een vanzelfsprekend geworden moreel oordeel.
De gevolgen daarvan worden zichtbaar in de reacties die dergelijke beelden oproepen. Opvallend genoeg ging het debat nauwelijks over politieke ideeën. In plaats daarvan verschenen vergelijkingen met nazi-kopstukken zoals Heydrich, opmerkingen over familieachtergrond, verwijzingen naar erfelijkheid en zelfs reacties over haar partner en ongeboren kind. Natuurlijk is een cartoonist niet verantwoordelijk voor iedere reactie van een lezer. Toch laten dergelijke reacties wel zien hoe krachtig beeldtaal kan zijn. Wanneer iemand in de schaduw van Hitler wordt geplaatst, verschuift de aandacht bijna automatisch van argumenten naar morele veroordeling.
Dat raakt aan een bredere vraag over publieke verantwoordelijkheid. BNNVARA presenteert zich nadrukkelijk als een omroep die staat voor een open, inclusieve en rechtvaardige samenleving. Begrippen als menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en begrip voor elkaar keren regelmatig terug in haar missie en publieke communicatie. Juist daarom roept deze reeks cartoons vragen op. Niet omdat satire geen ruimte zou mogen krijgen, maar omdat er spanning ontstaat tussen de waarden die een organisatie zegt te vertegenwoordigen en de beeldtaal die zij publiceert.
Die spanning wordt extra relevant wanneer het niet om één incident gaat, maar om drie verschillende cartoonisten die binnen hetzelfde publieke domein een vergelijkbare associatie maken. Dan ontstaat het beeld van een redactionele cultuur waarin het legitiem wordt gevonden om een politieke tegenstander via Hitler- en nazi-symboliek te framen. In de communicatieleer behoort dit tot wat je categorie 5-demonisering zou kunnen noemen: de zwaarste vorm van politieke demonisering, waarbij een persoon niet langer wordt bekritiseerd om zijn of haar ideeën, maar symbolisch wordt geplaatst in dezelfde morele categorie als Hitler en het nationaalsocialisme.
BNNVARA wordt geleid door bestuurders die opereren aan de top van het publieke bestel. Voorzitter Lonneke van der Zee staat bovendien aan het hoofd van het College van Omroepen. Met dergelijke posities komt een verantwoordelijkheid die verder reikt dan begrotingen, kijkcijfers en organisatievraagstukken. Zij dragen ook verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke cultuur die hun, publieke, omroep mede creëert en legitimeert.
De vraag is daarom niet of deze cartoons gepubliceerd mochten worden. In een vrije samenleving moet het antwoord daarop vrijwel altijd bevestigend zijn. De vraag is evenmin of Lidewij de Vos stevige kritiek mag krijgen. Politici horen kritiek te verdragen.
De vraag is of een publieke omroep die zegt te staan voor menselijke waardigheid, gelijkwaardigheid en begrip voor elkaar bewust ruimte wil bieden aan de zwaarste vorm van politieke demonisering die ons continent kent. Want wie een politieke tegenstander keer op keer in de schaduw van Hitler plaatst, voert uiteindelijk geen debat meer over ideeën. Het conflict verschuift naar een moreel domein waarin de ander niet langer wordt gezien als een opponent, maar als iemand die buiten de democratische gemeenschap valt.
En juist daar ligt het ongemak. Niet omdat een cartoon automatisch leidt tot bedreigingen of geweld, maar omdat dergelijke beelden de morele remmen verzwakken die een samenleving nodig heeft om politieke verschillen vreedzaam te verdragen. Wanneer de discussie zich uitbreidt van een politica naar haar familie, haar partner en zelfs haar ongeboren kind, is het misschien niet alleen interessant om te vragen wat een cartoonist wilde zeggen. Dan wordt ook de vraag relevant wat een publieke omroep bereid is te normaliseren in naam van satire.
