
David de Jong van de DutchMedia Podcast wees mij op een opvallend gegeven uit het jaarverslag 2025 van het Commissariaat voor de Media. Een toezichthouder met 88 medewerkers en een budget van naar schatting circa €15 miljoen, maar in een heel jaar tijd werden slechts drie boetes opgelegd. Daarnaast waren er zeven waarschuwingen en twee lasten onder dwangsom. Het lijkt op een mediawaakhond dat weinig waakt.
Uiteraard vraagt niet iedere overtreding om een boete. Vrijheid van meningsuiting en een terughoudende toezichthouder zijn belangrijke waarden. Maar als Nederland kiest voor een mediawaakhond met tientallen medewerkers, miljoenenbudgetten en stevige wettelijke bevoegdheden, dan mag je verwachten dat daar ook zichtbare slagkracht tegenover staat. Anders resteert vooral een instelling die veel analyseert, weinig corrigeert en beperkt impact maakt.
Dat wringt des te meer in een tijd waarin influencers, content creators en online platforms enorme invloed hebben op nieuwsgebruik, consumentengedrag en publieke opinie. Jongeren consumeren informatie steeds vaker via sociale media, waar journalistiek, reclame en activisme moeiteloos door elkaar lopen. Juist daar zou een moderne toezichthouder zichtbaar aanwezig moeten zijn. De resultaten over 2025 ogen dan wat mager.
Ook op het dossier mediaconcentratie oogt het Commissariaat weinig doorslaggevend. Het bracht een kritisch advies uit over de overname van RTL Nederland door DPG Media en noemde die onwenselijk vanuit pluriformiteitsperspectief. Toch ging de deal, na voorwaarden van de ACM, gewoon door. Daarmee werd pijnlijk duidelijk dat het Commissariaat wel kan waarschuwen, maar lijkt niet grote invloed te hebben op de uiteindelijke beslissing.
Tegelijkertijd valt de buitenproportionele aandacht voor Ongehoord Nederland op. In het jaarverslag wordt ON! opvallend vaak genoemd, bijna in dezelfde orde van grootte als de NPO zelf. Natuurlijk moet iedere omroep zich aan regels houden. Maar ON! is één relatief kleine speler binnen een veel groter bestel. Wanneer zo’n partij zoveel bestuurlijke aandacht opslokt, rijst de vraag of prioriteiten nog goed worden gesteld. CvdM meldt zelf: “Het Commissariaat zag zich genoodzaakt in 2025 disproportioneel
veel aandacht aan Ongehoord Nederland (ON!) te besteden.”
Daar komt nog iets bij: het Commissariaat lijkt zich steeds nadrukkelijker te richten op het thema “robuuste nieuwsvoorziening”. Op zichzelf een begrijpelijk streven. Betrouwbaar nieuws is cruciaal voor de democratie. Maar waar eindigt het bewaken van randvoorwaarden en waar begint bemoeienis met inhoud? Die vraag leeft inmiddels ook binnen Hilversumse omroepwereld. Zo stuurde het College van Hoofdredacteuren van de publieke omroep onlangs een brief aan het Commissariaat waarin zorgen werden uitgesproken over de toenemende neiging van de toezichthouder om zich te mengen in journalistieke inhoudelijke afwegingen. Dat is een serieus signaal. Journalisten horen gecontroleerd te worden op onafhankelijkheid, governance en naleving van regels, maar niet op redactionele keuzes of journalistieke smaak.
Opvallend genoeg werd een verzoek van Spreekbuis-journalist Ton Verlind om hierover in gesprek te gaan niet gehonoreerd. Volgens CvdM hadden ze wel genoeg interviews gegeven.. Dat is wrang voor een organisatie die in eigen communicatie graag spreekt over openheid, transparantie en toegankelijkheid. Wie transparantie predikt maar kritische vragen ontwijkt, maakt van die woorden al snel een wassen neus.
En dat terwijl het jaarverslag zelf spreekt over “democratie onder druk”. Als dat werkelijk het centrale thema is, dan zou de focus veel sterker moeten liggen op de échte krachten die de publieke ruimte veranderen: Big Tech, algoritmische sturing, buitenlandse platformmacht, mediaconcentratie en de verzwakking van onafhankelijke journalistiek. Daar worden immers de meeste meningen gevormd in plaats van de focus op één van de kleinste omroepen met zeer beperkte uitzendtijden.
Nederland heeft behoefte aan een moderne transparante toezichthouder die weet waar de echte risico’s zitten. Het CvdM moet is nu vooral een bureaucratische erfbewaker: veel personeel, veel processen, maar weinig ‘beet’. In een tijd waarin media-invloed groter is dan ooit, kan Nederland zich geen tandloze toezichthouder permitteren.

Amma Asante was eerder lid van BIJ1 en legt sinds haar aantreden bij Commissariaat voor de Media opvallend veel nadruk op de activiteiten van Ongehoord Nederland. Juist gezien haar politieke achtergrond roept dat vragen op over de benoeming in deze functie. Hoe onafhankelijk is zij werkelijk? Maar uiteindelijk gaat het om een breder probleem: politici die na hun politieke carrière terechtkomen op functies die juist maximale onafhankelijkheid vereisen. Instellingen als de Ombudsman en het Commissariaat voor de Media moeten elke schijn van belangenverstrengeling vermijden. Dat kan simpelweg door geen mensen te benoemen die recent politiek actief waren of zich in het verleden nadrukkelijk politiek hebben geprofileerd. Het Commissariaat voor de Media spreekt zelf regelmatig over vertrouwen in media en democratie, maar lijkt daarbij onvoldoende in de spiegel te kijken.
Oef, dat is lekker op de vrouw gespeeld. Terwijl ON echt een doorn in het oog is van iedereen op het mediapark.
Het probleem is niet de onafhankelijkheid van de toezichthouder maar dat er een omroep in het bestel zit die amper verhulde racistische drek op tv brengt. En dat de mediawet onvoldoende mogelijkheden biedt om ze er uit te zetten.
Vorige week ook al dat verhaal over Marjolein van der Linden die naast haar 1e Kamer lidmaaatschap ook nog actief is als lobyist bij DPG Media (zie Geenstijl). Hoe kan dit? Hoe kan de politiek dit goedkeuren? Bizar!! Heeft overigens verder geen enkele media gehaald. Ook weer opmerkelijk.
Maar ook Arie Slob die van mediaminister nu voorzitter van de EO is geworden. Mooi dat hij veel ervaring heeft, maar dit is natuurlijk heel krom en daarmee lijkt Nederland een soort bananenrepubliek geworden. Dit moeten we niet accepteren.
Wie het jaarverslag van het Commissariaat voor de Media leest, ziet vooral een instelling die bijzonder goed is in het beschrijven van onheil, en beduidend minder overtuigend in het bestrijden ervan. Het proza is gewichtig, de toon staatsdragend, de ambities zijn van democratische allure. Maar zodra de cijfers verschijnen, valt de bestuursretoriek door de mand. Achtentachtig medewerkers. Drie boetes. Zeven waarschuwingen. Twee lasten onder dwangsom. Dat is geen waakhond. Dat is een bureaucratische erfbewaker die zichzelf met veel ernst toespreekt.
Het merkwaardige is dat het Commissariaat de echte problemen best ziet. In het verslag waarschuwt het zelf voor platformmacht, AI, afnemende zichtbaarheid van journalistiek en zelfs voor een “existentieel risico voor de democratie”. Het schrijft dat onafhankelijk en betrouwbaar nieuws minder beschikbaar, vindbaar en zichtbaar wordt. Allemaal waar. Maar juist daarom oogt de bestuurlijke praktijk zo schraal. Wie zó plechtig de noodklok luidt, kan zich niet tegelijk tevreden tonen met een jaar vol gesprekken, overleggen, papers en procesproza. Dan verwacht je gezag dat zichtbaar ingrijpt waar de macht daadwerkelijk zit.
Daar wringt het dus. Bij Big Tech, distributiemacht, algoritmische sturing en mediaconcentratie spreekt het Commissariaat in bijna apocalyptische termen. Maar in de tastbare werkelijkheid van het toezicht blijft het opvallend vaak hangen in inventariseren, onderzoeken, consulteren en agenderen. Alsof men een rapport over brandpreventie opstelt terwijl het huis al in lichterlaaie staat.
Nog onthullender is de passage over Ongehoord Nederland. Het Commissariaat schrijft zelf dat het zich in 2025 “genoodzaakt” zag disproportioneel veel aandacht aan ON! te besteden. Dat is een bekentenis, geen aanbeveling. Want een toezichthouder die disproportioneel veel energie verliest aan één kleine speler, terwijl hij zelf de grote systeemrisico’s elders aanwijst, etaleert geen scherpte maar bestuurlijke wanverhouding. Dan klopt het kompas niet meer.
En dan is er nog die wonderlijke dans rond journalistieke kwaliteit. Het Commissariaat benadrukt dat het geen redactionele keuzes of journalistieke inhoud beoordeelt op insteek, smaak of standpunt. Dat is geruststellend, maar slechts tot op zekere hoogte. Want wie zich steeds nadrukkelijker beroept op “robuuste nieuwsvoorziening” en toezicht op “journalistieke kwaliteitseisen”, wekt vanzelf de indruk dichter tegen de inhoud aan te schurken dan hem lief zou moeten zijn. Een toezichthouder moet grenzen bewaken, geen redactielucht inademen.
De kern van het probleem is dus niet dat het Commissariaat te weinig straft. De kern is dat het te graag groot spreekt en te weinig groot handelt. Het presenteert zich als hoeder van de democratische nieuwsorde, maar oogt in dit verslag te vaak als een keurig apparaat voor toezichtstaal, overlegcultuur en zelfverklaarde relevantie. Veel open ogen, weinig zichtbare beet.