Blog Richard Otto: ‘Zendingsdrang in de media kent een lange geschiedenis’

Nederlandse media (en daarbij horende duiders en opiniemakers) hebben vaak iets belerends. Niet altijd, niet overal, maar vaak genoeg om het patroon te herkennen. In talkshows, columns, opinieprogramma’s en journalistieke duiding wordt niet alleen verteld wat er gebeurt, maar ook wat we daarvan zouden moeten vinden. De feiten komen zelden alleen. Ze krijgen vaak meteen een morele gebruiksaanwijzing mee.

Dat is geen toeval. Nederland is een land van kooplieden én dominees. We willen handel drijven met de wereld, maar haar tegelijk ook uitleggen hoe zij zich moet gedragen. Die combinatie van handelsgeest en zendingsgeest zit diep in onze cultuur. We exporteerden goederen, kennis, schepen, formats en technologie, maar ook overtuigingen, normen en wereldbeelden.

Eeuwenlang trokken Nederlanders de wereld over om handel te drijven én om het woord te verkondigen. Missionarissen, predikanten, onderwijzers en bestuurders zagen het als hun taak om anderen niet alleen iets te brengen, maar ook iets te leren. Die zendingsdrang was religieus, maar ook cultureel. Nederland had niet alleen belangen, maar ook een boodschap.

Die houding is niet verdwenen. Ze is van vorm veranderd. De dominee staat minder vaak op de kansel, maar de toon van de kansel klinkt nog geregeld door in het publieke debat. Waar vroeger het evangelie werd gebracht, worden nu opvattingen over democratie, duurzaamheid, inclusie, fatsoen, diversiteit, vrijheid, bestuur en media uitgedragen.

Die zendingsdrang is ook herkenbaar bij bekende Nederlandse mediamakers en opiniemakers. Denk aan Freek de Jonge, die zijn podium vaak gebruikte om maatschappelijke en politieke kwesties moreel te duiden. Of aan Claudia de Breij, bij wie engagement en publieke waarden regelmatig nadrukkelijk onderdeel zijn van haar mediapersoonlijkheid. Ook Sander Schimmelpenninck past in die traditie: hij gebruikt zijn positie in media en opinie niet alleen om te analyseren, maar ook om gedrag, macht en maatschappelijke verhoudingen langs een scherpe normatieve meetlat te leggen. Daarmee zijn zij geen uitzonderingen, maar voorbeelden van een bredere Nederlandse mediacultuur waarin duiding vaak samengaat met richting geven. De boodschap is zelden alleen: dit gebeurt er. Vaak klinkt ook mee: dit zou u ervan moeten vinden.

Naast Freek de Jonge passen Wierd Duk, Cisca Dresselhuys, Geert Mak en Arie Boomsma eveneens goed in deze lijn. Al hun vaders waren dominee, en juist bij hen zie je hoe een opvoeding in een domineesgezin kan doorwerken in publieke rollen waarin taal, duiding, moraal en overtuigingskracht centraal staan.

De prikkelende stelling is dan ook: Nederlandse media zijn belerender door het protestantisme. Als harde wetenschappelijke conclusie is dat te kort door de bocht. Er is geen eenvoudig bewijs dat protestantisme rechtstreeks leidt tot belerende journalistiek. Maar als culturele verklaring is het moeilijk helemaal weg te wuiven. De Nederlandse publieke cultuur is mede gevormd door plichtsbesef, morele verantwoording, zelfcorrectie, soberheid en de neiging om gedrag langs een normatieve meetlat te leggen. Daar komen later andere tradities bij: de verzuiling, het poldermodel, de sterke publieke omroep, de bestuurscultuur en de journalistieke rol als maatschappelijke controleur. Samen vormen ze een mediacultuur waarin duiding snel verandert in richting geven. Niet alleen: dit is er gebeurd. Maar ook: dit is wat fatsoenlijke mensen hiervan zouden moeten vinden.

Natuurlijk is Nederland daarin niet uniek. Britse tabloids kunnen genadeloos moralistisch zijn. Amerikaanse opiniezenders voeren dagelijks culturele veldslagen. Fox News, MSNBC en podcasts bewijzen dat moralisme in de Verenigde Staten vaak veel harder, ideologischer en gepolariseerder is. Het Verenigd Koninkrijk kent weer een eigen traditie van scherpe, populaire en soms meedogenloze media. Het verschil zit in de toon. In Amerika klinkt moralisme vaak als strijd. In het Verenigd Koninkrijk vaak als aanval. In Nederland klinkt het vaker als redelijkheid. Als fatsoen. Als uitleg. Als iemand die niet roept dat hij gelijk heeft, maar wel voortdurend laat merken dat er eigenlijk maar één volwassen, nette en maatschappelijk verantwoorde conclusie mogelijk is.

Juist dat maakt de Nederlandse variant soms extra ‘irritant’. Niet omdat zij het hardst schreeuwt, maar omdat zij zich presenteert als vanzelfsprekend redelijk. De boodschap komt niet altijd binnen als opinie, maar als norm. Wie het er niet mee eens is, heeft dan niet simpelweg een ander perspectief, maar lijkt al snel minder geïnformeerd, minder verantwoordelijk of minder fatsoenlijk.

Daar zit het risico. Journalistiek moet macht controleren, misstanden blootleggen en waarden verdedigen. Zonder normatief besef wordt journalistiek kleurloos. Maar als journalistiek te veel gaat opvoeden, verliest zij haar openheid. Dan wordt het publiek niet meer uitgenodigd om zelf te denken, maar vooral gecorrigeerd omdat het verkeerd denkt. Dat zie je terug in de manier waarop sommige media maatschappelijke kwesties behandelen. De vraag is dan niet alleen wat er speelt, wie belang heeft, welke feiten vaststaan en welke onzekerheden er zijn. De vraag wordt ook meteen wie aan de goede kant staat. Wie vooruitstrevend is. Wie achterloopt. Wie deugen wil en wie kennelijk nog moet worden bijgepraat.

Daarmee wordt pluriformiteit smaller dan zij lijkt. Er kunnen veel programma’s, titels, redacties en opiniemakers zijn, maar als ze allemaal ongeveer dezelfde morele toon aanslaan, ontstaat alsnog een eenzijdigheid. Niet per se in feiten, maar in houding. Niet per se in onderwerpen, maar in de manier waarop afwijkende perspectieven worden ontvangen. Dat is het ongemakkelijke aan Nederlandse media en vooral de mediamakers. Ze zijn vaak kritisch, maar niet altijd zelfkritisch over hun eigen toon. Ze wantrouwen macht, maar spreken zelf soms vanaf een morele verhoging. Ze verdedigen open debat, maar hebben moeite met meningen die buiten de eigen fatsoenscorridor vallen.

De zendingsdrang in de media kent dus een lange geschiedenis. Van de dominee tot de columnist, van de missionaris tot de talkshowduider: steeds keert dezelfde reflex terug. Nederland wil niet alleen vertellen wat er gebeurt, maar ook wat de wereld daarvan zou moeten vinden. Misschien is dat onze kracht én onze zwakte. Nederlandse media zijn betrokken omdat ze ergens voor staan. Dat is waardevol. Maar betrokkenheid wordt problematisch wanneer zij verandert in belerendheid. Wie anderen voortdurend de maat neemt, moet ook zichzelf langs dezelfde meetlat durven leggen.

Misschien vraagt deze tijd van mediaduiders niet alleen dat zij de samenleving kritisch bevragen, maar ook dat zij hun eigen overtuigingen en zendingsdrang durven herkennen.

Spreekbuis.nl

WAARDEER DIT ARTIKEL!

Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage, dan kan dat. Zo help je onafhankelijke mediajournalistiek in stand houden.

Donatie Spreekbuis € -