
De steeds verdergaande fragmentatie van de samenleving laat zich inmiddels ook steeds duidelijker terugzien in de journalistiek. Mediareuzen als DPG Media en de Nederlandse Publieke Omroep proberen met een breed palet aan titels, formats en gezichten de volledige culturele lappendeken van het Nederlandse publiek af te dekken. Van stedelijk-progressief tot cultureel behoudend, van hoogopgeleid kosmopolitisch tot populistisch wantrouwen. Daarmee verandert ook de positie van de individuele journalist. Journalisten zijn steeds vaker niet alleen verslaggever, maar tegelijk profiel, distributiekanaal en publiek merk geworden. Sociale media, podcasts en televisieoptredens maken persoonlijke positionering onderdeel van het journalistieke ecosysteem zelf.
Daarmee ontstaat langzaam spanning met klassieke journalistieke idealen als onafhankelijkheid, professionele afstand en terughoudendheid. Niet omdat die principes formeel verdwijnen, maar omdat de omgeving waarin journalistiek opereert fundamenteel is veranderd. In een tijdperk waarin aandacht steeds schaarser wordt, blijkt zichtbaarheid vaak minstens zo belangrijk als zorgvuldigheid. De journalist beweegt zich daardoor steeds nadrukkelijker in dezelfde logica als de politiek, entertainment en activisme: herkenbaarheid genereert publiek.
Die verschuiving werd vorige week bijna ongemerkt zichtbaar in twee totaal verschillende bijdragen op Villamedia. Het ene was een interview met Peter Breedveld, hoofdredacteur van universiteitsblad Ad Valvas en bekend van zijn platform Frontaal Naakt. Het andere een beschouwing van journalistiekstudent Aniek van Rens over objectiviteit en onafhankelijkheid binnen de journalistiek. Twee verschillende generaties, twee verschillende stijlen, maar samen laten ze zien hoe snel de journalistieke cultuur verschuift.
Breedveld schreef op 5 mei op Frontaal Naakt dat “deugend Nederland” tijdens de Dodenherdenking slechts zou doen alsof het slachtoffers herdacht, terwijl het in werkelijkheid fantaseerde over deportaties van moslims en “andere bruine mensen”. Het is niet de eerste keer dat zulke formuleringen van hem opduiken. Jaren geleden kwam hij al in beeld vanwege uitspraken over de PVV bij PowNed. Ook zei hij in een interview: “Ik houd niet van Nederland en de Nederlandse cultuur. Steek de dijken maar door.”
Dat mag vanzelfsprekend. Vrijheid van meningsuiting beschermt immers ook provocatie, overdrijving en vervreemding. Maar zodra iemand zich tegelijk presenteert als journalist, commentator en publiek profiel ontstaat een andere vraag. Niet juridisch, maar cultureel. Wat gebeurt er met de verhouding tussen journalist en publiek wanneer journalisten zichtbaar onderdeel worden van een moreel en politiek kamp? Wanneer niet alleen feiten worden geselecteerd, maar ook intenties van complete groepen mensen alvast moreel worden ingevuld.
Daarmee verschuift ongemerkt ook de basis van journalistiek vertrouwen. Niet langer staat centraal of een verhaal zorgvuldig is opgebouwd, maar steeds vaker of de journalist cultureel herkenbaar voelt voor het eigen publiek. De journalist wordt dan minder gids en meer identiteitsmarkering. Voor een deel van het publiek versterkt dat juist de geloofwaardigheid. Voor een ander deel verdwijnt die vrijwel volledig.
Tegen die achtergrond krijgt ook de observatie van Van Rens betekenis. Zij schreef dat journalisten moeten stoppen “met doen alsof objectiviteit en onafhankelijkheid haalbare begrippen zijn.” Op zichzelf is dat geen vreemde constatering. Iedere journalist maakt keuzes. Welke feiten relevant zijn, welke bronnen gezag krijgen, welke woorden een werkelijkheid ordenen. Volledige neutraliteit heeft waarschijnlijk nooit bestaan.
Interessanter is daarom misschien niet de vaststelling dát objectiviteit ingewikkeld is, maar wat ervoor in de plaats komt. Waar journalistiek vroeger probeerde persoonlijke overtuigingen zoveel mogelijk te disciplineren via redactiestructuren, hoor en wederhoor en professionele afstand, ontstaat nu steeds vaker het idee dat zichtbare subjectiviteit eerlijker zou zijn. Transparantie vervangt afstand. De impliciete boodschap wordt: dit is mijn positie, beoordeel mijn werk in dat licht.
Dat klinkt aanvankelijk open en eerlijk, maar verandert tegelijk ook het contract met het publiek. Want als onafhankelijkheid vooral betekent dat journalisten transparant zijn over hun overtuigingen, verschuift de verantwoordelijkheid automatisch naar de lezer zelf. Die moet dan niet alleen artikelen leren lezen, maar ook journalisten. Niet alleen feiten beoordelen, maar ook morele intuïties, culturele reflexen, sociale omgevingen en zichtbare loyaliteiten.
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste verandering van dit tijdperk. Niet dat objectiviteit verdwenen zou zijn, die was waarschijnlijk altijd al ingewikkelder dan vaak werd voorgesteld, maar dat journalistiek steeds minder draait om institutioneel vertrouwen en steeds meer om persoonlijke interpretatie. Het publiek leest daardoor niet langer alleen een krant of kijkt een programma, maar ook de mens erachter.

De raad van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam geeft Ad Valvas redactionele onafhankelijkheid juist vanuit de veronderstelling dat alle stakeholders binnen de universiteit op basis van journalistieke zorgvuldigheid en gelijke maatstaven worden behandeld. Maar in een medialandschap waarin journalisten steeds zichtbaarder onderdeel worden van het publieke en morele debat dat zij tegelijkertijd verslaan, verschuift ook de vraag waarop vertrouwen uiteindelijk nog rust: op instituties, op procedures, of vooral op de culturele herkenbaarheid van de persoon die het verhaal vertelt.
PS: Opmerkelijk genoeg bleek zelfs een AI-systeem onlangs nog moeite te hebben met de formulering “Steek de dijken maar door”. De cartoonprompt werd geweigerd omdat de zin mogelijk strijdig zou zijn met de contentrichtlijnen. Ook dat zegt iets over deze tijd. Niet alleen over technologie, maar vooral over hoe snel woorden tegenwoordig van journalistieke provocatie veranderen in culturele signalen.
