Van ON! naar ‘ONline’: vertrek uit bestel kan omroep juist laten groeien en legitimiteit NPO onder druk zetten

 Op sociale media circuleert inmiddels de woordspeling ‘ONline’ als mogelijk tweede leven voor Ongehoord Nederland (ON!). Wat als een gedwongen vertrek uit het publieke bestel niet het einde van de omroep betekent, maar juist de aanzet wordt voor een kleinere, goedkopere en onafhankelijkere digitale nieuwsorganisatie met net zo grote, al dan niet grotere aanhang? Dat scenario is minder vergezocht dan enkele jaren geleden. ON! heeft inmiddels landelijke naamsbekendheid, een omvangrijke achterban en een positie op sociale media opgebouwd. Wanneer zo’n organisatie buiten het bestel een aanzienlijk publiek weet vast te houden of zelfs verder groeit, kan dat tegelijkertijd een ongemakkelijke vraag voor de NPO oproepen: hoe geloofwaardig blijft ‘de plek van ons allemaal’ wanneer een substantiële groep Nederlanders zich juist buiten het publieke bestel beter vertegenwoordigd voelt?

Of het daadwerkelijk zover komt, staat nog niet vast. De discussie gaat op dit moment over een mogelijke intrekking van de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland en die procedure moet juridisch worden onderscheiden van alle politieke en maatschappelijke discussies over de omroep. Als aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan, kan het feit dat ON! een bepaalde achterban vertegenwoordigt op zichzelf geen reden zijn om de organisatie dan maar in het bestel te houden. Pluriformiteit is geen vrijbrief voor een individuele omroep om niet aan de Mediawet en de voorwaarden van de erkenning te voldoen. Interessanter is daarom wat er gebeurt ná een eventueel vertrek. Want wie automatisch veronderstelt dat ON! zonder NPO-zendtijd en publieke financiering snel zal verschrompelen, gaat voorbij aan de manier waarop het medialandschap de afgelopen jaren is veranderd.

De publieke omroep als springplank

Ongehoord Nederland zou bij verlies van zijn erkenning niet automatisch als vereniging ophouden te bestaan. De organisatie kan buiten het publieke bestel in beginsel verdergaan, al zal zij haar activiteiten en financiering dan ingrijpend moeten aanpassen. Publieke middelen kunnen niet eenvoudig worden meegenomen om daarmee een onafhankelijke ‘internetomroep’ te financieren en zonder NPO-budget is het huidige productiemodel niet vol te houden. Dat hoeft echter niet te betekenen dat ON! moet proberen buiten het bestel precies dezelfde televisieomroep te reconstrueren. Een zelfstandig ON! zou bijvoorbeeld kunnen bestaan uit een relatief kleine nieuwsredactie, een website met dagelijks nieuws en opinie, een nieuwsbrief, podcasts en één of enkele vaste videoformats op YouTube. Vanuit die langere producties kunnen vervolgens voortdurend korte fragmenten voor sociale media worden gemaakt. Voor een dergelijk model zijn geen grote televisiestudio’s, omvangrijke productieploegen en een miljoenenbudget noodzakelijk. Het interessante is bovendien dat ON! na zijn jaren binnen de publieke omroep niet meer hoeft te beginnen zoals een doorsnee mediastart-up: zonder merk, zonder publiek en zonder adressenbestand.

Volgens het eigen jaarverslag telde Ongehoord Nederland eind 2025 nog 34.045 leden. Het ledenaantal was daarmee weliswaar duidelijk gedaald, maar voor een zelfstandig digitaal nieuws- en opinieplatform is een potentiële basis van ruim 30.000 direct betrokken mensen nog altijd aanzienlijk. Het is niet bekend hoeveel van hen na een vertrek uit het bestel zouden blijven betalen, en het zou daarom speculatief zijn om ervan uit te gaan dat ON! al die leden automatisch meeneemt. Tegelijkertijd is er evenmin feitelijke basis voor de veronderstelling dat die achterban na verwijdering uit het bestel grotendeels verdwijnt.  Daar komt bij dat lidmaatschap buiten het publieke bestel een andere betekenis kan krijgen. Een traditioneel omroeplid betaalt een relatief klein bedrag om een vereniging binnen het bestel te steunen, terwijl onafhankelijke makers hun publiek tegenwoordig via memberships, donaties, betaalde nieuwsbrieven en crowdfunding rechtstreeks aan hun organisatie verbinden. Met 34.000 leden hoeft ON! dus niet 34.000 klassieke omroepleden te behouden; zelfs een kleiner aantal supporters dat bereid is maandelijks enkele euro’s te betalen, kan voor een compacte digitale organisatie een relevante inkomstenstroom opleveren. Ook zouden de enorme juridische kosten tegenover instanties kunnen vervallen.

Een martelaarsverhaal kan commercieel juist bruikbaar worden

Ook de omstandigheden waaronder ON! eventueel zou vertrekken, kunnen daarbij een rol spelen. Hier is een kleine feitelijke correctie van belang: het was mediaspecialistElgervanderWel die onlangs expliciet over een mogelijk ‘martelaarsverhaal’ sprak. Hij stelde dat ON! een gedwongen vertrek richting de eigen achterban kan presenteren als bevestiging van de gedachte dat juist het afwijkende geluid uit Hilversum wordt geweerd. Volgens Van der Wel is het daarom denkbaar dat de omroep binnen zijn eigen doelgroep sterker uit de affaire komt en vervolgens met crowdfunding verdergaat.

Victor Vlam legde het accent elders. Hij waarschuwde dat het verdwijnen van ON! het draagvlak voor de publieke omroep onder rechts-conservatieve kiezers verder onder druk kan zetten wanneer binnen het bestel onvoldoende herkenbare alternatieven overblijven. Vlam is tegelijkertijd zeer kritisch over ON! zelf en vindt dat de omroep veel problemen aan zijn eigen functioneren heeft te danken. Juist die combinatie maakt zijn analyse relevant: je kunt vinden dat ON! als publieke omroep heeft gefaald en tegelijkertijd constateren dat zijn vertrek een nieuw probleem voor het bestel kan veroorzaken.

Een gedwongen vertrek kan voor ON! daardoor communicatief iets opleveren wat een vrijwillige commerciële doorstart niet zou hebben. Voor mensen die de omroep al steunden vanuit het idee dat hun opvattingen onvoldoende aan bod komen bij traditionele media, kan verwijdering uit het bestel worden geïnterpreteerd als bevestiging van dat wereldbeeld. Of ON! daar daadwerkelijk nieuwe doelgroepen mee kan bereiken, valt uiteraard niet vooraf vast te stellen, maar de gedachte dat de omroep na verwijdering vanzelf wordt gedecimeerd is net zo min onderbouwd.

‘Buiten de bubbel’ laat zien dat het model inmiddels bestaat

Precies op dit punt sluit de ON!-kwestie aan bij het Spreekbuis-onderzoek Buiten de bubbel. Daarin wordt beschreven hoe naast omroepen, kranten en traditionele redacties een groeiend ecosysteem is ontstaan van zelfstandige makers, podcasts, YouTube-kanalen, nieuwsbrieven en communities die hun publiek en inkomsten grotendeels zelf organiseren.

De combinatie van directe distributie, relatief lage productiekosten, sociale platforms en eenvoudige betaalmogelijkheden heeft de toetredingsdrempel sterk verlaagd. Waar vroeger een omroep, uitgever of krant nodig was om een groot publiek te bereiken, kunnen makers tegenwoordig zelf een merk, community en verdienmodel opbouwen. Daarmee zijn de traditionele poortwachters niet verdwenen, maar hebben ze gezelschap gekregen van YouTube, Meta, TikTok, Spotify en andere platforms.

Het onderzoek laat bovendien zien dat het onafhankelijke model niet alleen draait op ultrakorte filmpjes (shorts). Podcasts, interviews, livestreams en nieuwsbrieven kunnen juist langdurige binding met een publiek creëren, terwijl korte clips op sociale media worden gebruikt om mensen naar die langere producties te trekken. Voor een organisatie als ON!, die zijn bekendheid en statuur al heeft opgebouwd, is dat een veel realistischer model dan proberen buiten het bestel een volwaardige televisiezender in stand te houden.

Ook het mediagedrag beweegt in deze richting. In het door Buiten de bubbel aangehaalde Digital News Report Nederland 2026 noemt 33 procent van de 18- tot 34-jarigen sociale media inmiddels de belangrijkste nieuwsbron. Van alle volwassen Nederlanders ziet of volgt 17 procent online nieuwsmakers, terwijl onder 18- tot 24-jarigen ongeveer de helft nieuwsmakers of influencers tegenkomt die geheel of gedeeltelijk over nieuwsberichten. Nederland loopt internationaal nog relatief achter bij deze ontwikkeling, maar juist daardoor is er nog ruimte voor verdere groei.

Een zelfstandig ‘ONline!’ zou overigens niet volledig onafhankelijk zijn. De afhankelijkheid van NPO, OCW en publieke financiering wordt dan vervangen door andere kwetsbaarheden: algoritmes, YouTube-regels, betalingsproviders, donateurs, sponsors en advertentiemarkten kunnen grote invloed krijgen op bereik en inkomsten. Buiten de bubbel benoemt daarom nadrukkelijk dat zelfstandige makers weliswaar aan oude poortwachters ontsnappen, maar tegelijk nieuwe poortwachters krijgen.

Het lastigste vraagstuk ontstaat mogelijk bij de publieke omroep zelf

Het vertrek van ON! zou juridisch niet betekenen dat de NPO daarmee automatisch tekortschiet in haar publieke opdracht. De Mediawet kent geen regel die bepaalt dat iedere politieke stroming naar rato van verkiezingsuitslagen een eigen omroep moet hebben. Ook bestaat er geen juridisch recht op een aparte omroep voor mensen die rechts van de VVD stemmen.

De publieke mediaopdracht als geheel bevat echter wel degelijk een duidelijke pluriformiteitsverplichting. Artikel 2.1 van de Mediawet verlangt media-aanbod dat evenwichtig, pluriform en gevarieerd is, een evenwichtig beeld van de samenleving geeft en de onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses weerspiegelt. De publieke media moeten bovendien relevant zijn voor zowel een breed publiek als bevolkingsgroepen van verschillende omvang en samenstelling, met bijzondere aandacht voor kleinere doelgroepen.

Daarmee ontstaat na een eventueel vertrek van ON! geen automatisch juridisch probleem, maar wel een steeds interessantere legitimiteitsvraag. WNL blijft bijvoorbeeld binnen de publieke omroep aanwezig en omschrijft zichzelf expliciet als de omroep die een stem geeft aan de brede liberaal-conservatieve stroming. Daarmee is echter nog niet aangetoond dat alle maatschappelijke en politieke stromingen rechts van het klassieke liberaal-conservatieve spectrum zich ook daadwerkelijk voldoende in het totale publieke aanbod herkennen.

De electorale omvang van dat vraagstuk is niet gering. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2025 kregen PVV 26 zetels, JA21 9, Forum voor Democratie 7, BBB 4 en SGP 3. Wanneer deze partijen voor deze analyse gezamenlijk worden gerekend tot het spectrum rechts van de VVD, gaat het om 49 van de 150 Kamerzetels, oftewel 32,7 procent. Dat percentage moet niet worden gepresenteerd als een officiële wetenschappelijke definitie van ‘rechts van de VVD’, omdat partijen en kiezers op verschillende onderwerpen anders kunnen worden ingedeeld, maar het maakt wel duidelijk dat het om een electorale groep van betekenis gaat.

‘De plek van ons allemaal’ wordt dan een steeds zwaardere belofte

De gevoeligheid neemt verder toe doordat NPO en omroepen zichzelf nadrukkelijk presenteren onder de slogan ‘De publieke omroep: de plek van ons allemaal’. Daarbij zegt de NPO ruimte te willen bieden aan verschillende stemmen en perspectieven, terwijl voorzitter Arjan Lock van het College van Omroepen in het verleden sprak over programma’s die een stem geven aan de ‘volle breedte van onze samenleving’ en een plek ‘waar verschil welkom is’.

Die formulering is uiteraard geen juridisch afdwingbare garantie dat iedere kiezer een programma krijgt waarmee hij of zij zich politiek identificeert. Het is wel een duidelijke publieke positionering. Wanneer een organisatie die specifiek is ontstaan vanuit het idee dat een deel van Nederland onvoldoende in Hilversum wordt gehoord vervolgens uit het bestel verdwijnt, terwijl diezelfde organisatie buiten Hilversum een groot publiek weet vast te houden, zal de vraag naar de invulling van die belofte vrijwel onvermijdelijk scherper worden.

Ook het onderzoek Buiten de bubbel signaleert die spanning. Rechts-conservatieve en anti-establishmentmakers blijken opvallend zichtbaar in het onafhankelijke medialandschap. Een mogelijke verklaring is volgens het onderzoek dat deze makers en hun publiek een grotere afstand ervaren tot de dominante toon van publieke omroep, talkshows, kwaliteitskranten en andere instituties. Die observatie is nadrukkelijk geen bewijs dat de publieke omroep daadwerkelijk politiek eenzijdig is, maar wel een aanwijzing dat er een ervaren representatieprobleem bestaat dat serieus genomen moet worden.

Het onderzoek trekt daar voor de publieke omroep een relevante conclusie uit. Wanneer het bestel door delen van het publiek als cultureel homogeen wordt ervaren, kan buiten de poort een tegenpubliek ontstaan dat uiteindelijk de legitimiteit van het gehele bestel ter discussie stelt. De publieke omroep zou daarom volgens Buiten de bubbel veel actiever moeten onderzoeken welke groepen hij structureel niet bereikt, welke makers die groepen wél bereiken en op welke manier daarmee kan worden samengewerkt zonder journalistieke standaarden los te laten.

Daar komt een tweede ontwikkeling bovenop die de ON!-kwestie veel groter maakt dan één omroep. Onder de huidige Mediawet is Nederland nog steeds een open omroepbestel. Een nieuwe aspirant-omroep kan in beginsel toetreden wanneer onder meer minimaal 50.000 betalende leden worden verzameld en de organisatie aantoonbaar iets toevoegt aan het bestaande aanbod. ON! en Omroep Zwart zijn via precies die route binnengekomen.

Het is daarom feitelijk onjuist om te stellen dat het nu al onmogelijk is een nieuwe publieke omroep te beginnen. In de voorgenomen hervorming voor 2029 verandert dat echter fundamenteel. Het kabinet wil de huidige systematiek van erkenning, toetreding en uittreding beëindigen en de bestaande omroepen onderbrengen in een beperkt aantal omroephuizen. De meest recente plannen spreken over vier omroephuizen naast NOS-NTR en minister Letschert omschreef het nieuwe bestel eerder letterlijk als ‘gesloten voor nieuwe organisaties, maar opener voor nieuwe geluiden’.

Dat wetsvoorstel is nog geen geldend recht en kan tijdens de parlementaire behandeling nog veranderen. De beleidsrichting is echter duidelijk: als de hervorming doorgaat, kan een nieuwe maatschappelijke stroming straks niet meer hetzelfde doen als ON! enkele jaren geleden deed. Vijftigduizend of zelfs honderdduizend mensen mobiliseren geeft een nieuwe organisatie dan geen zelfstandige toegang meer tot het publieke bestel. De bestaande omroephuizen krijgen juist de opdracht om nieuwe maatschappelijke geluiden zelf te signaleren en in het aanbod op te nemen. De Rijksoverheid bevestigt dat in het nieuwe stelsel geen nieuwe omroepen meer worden toegelaten en dat de omroephuizen onder meer worden beoordeeld op de ruimte die zij bieden aan nieuwe geluiden en ideeën.

Daarmee verandert ook de manier waarop pluriformiteit wordt georganiseerd. In het huidige bestel zit een democratisch noodventiel: wie vindt dat bestaande omroepen een relevante stroming negeren, kan een eigen vereniging oprichten en proberen voldoende maatschappelijke steun te verzamelen. In het toekomstige systeem wordt die externe toetredingsmogelijkheid vervangen door een interne opdracht aan de omroephuizen om zelf open te staan voor nieuwe perspectieven.

De onafhankelijke maker kan daardoor juist belangrijker worden voor de NPO

Dat brengt de discussie terug bij de newsfluencers en andere onafhankelijke makers uit Buiten de bubbel. Wanneer nieuwe organisaties straks niet meer kunnen toetreden, zal de NPO veel overtuigender moeten laten zien dat nieuwe geluiden op een andere manier daadwerkelijk toegang krijgen. Alleen zeggen dat een maker bij een omroephuis kan pitchen, zal waarschijnlijk onvoldoende zijn wanneer grote publieksgroepen zich structureel buiten het bestel organiseren.

Het kabinet houdt al rekening met buitenproducenten die rechtstreeks bij de omroephuizen voorstellen kunnen indienen. Buiten de bubbel gaat in zijn aanbevelingen verder en pleit voor samenwerkingsvormen met zelfstandige makers zonder hen onmiddellijk te institutionaliseren, bijvoorbeeld via coproducties, distributiedeals, journalistieke ondersteuning en andere vormen van samenwerking. Het rapport stelt bovendien dat publieke middelen niet alleen bestaande instituties hoeven te versterken, maar ook kunnen worden ingezet voor journalistieke functies die door kleine onafhankelijke makers worden vervuld en waar grote redacties onvoldoende aanwezig zijn.

Dat betekent niet dat iedere influencer met honderdduizend volgers automatisch recht zou moeten krijgen op publiek geld of NPO-zendtijd. Bereik zegt niets over journalistieke kwaliteit en onafhankelijke makers kampen zelf met vragen rond bronverificatie, correcties, transparantie, scheiding tussen feit en opinie en afhankelijkheid van hun eigen achterban. De interessante beleidsvraag is daarom niet óf influencers de omroepen moeten vervangen, maar hoe een toekomstige publieke omroep journalistieke stemmen van buiten de traditionele organisaties kan benutten wanneer die aantoonbaar groepen bereiken die binnen het bestel onvoldoende worden bereikt.

Het ON-besluit reikt verder dan ON! zelf

Voor minister Letschert lopen hier uiteindelijk twee dossiers naast elkaar die juridisch gescheiden moeten blijven, maar maatschappelijk steeds moeilijker van elkaar los zijn te zien. Bij de beoordeling van de erkenning van ON! moet zij kijken naar de Mediawet en de feiten rondom het functioneren van de omroep. De maatschappelijke of politieke positie van de achterban mag daarbij geen reden zijn om wettelijke tekortkomingen door de vingers te zien. Tegelijkertijd werkt dezelfde minister aan een bestel waarin nieuwe organisaties straks niet meer zelfstandig kunnen toetreden en bestaande omroephuizen de verantwoordelijkheid krijgen om de pluriformiteit zelf te organiseren. Wanneer ON! buiten dat bestel vervolgens als ‘Online!’ verdergaat, tienduizenden supporters weet te behouden en misschien zelfs nieuwe publieksgroepen bereikt, ontstaat een situatie die de NPO moeilijk kan negeren. Dan gaat de discussie niet alleen meer over de vraag waarom ON! uit het publieke bestel moest verdwijnen, maar ook over de vraag waarom een aanzienlijk publiek buiten het bestel kennelijk wel wordt bereikt en binnen ‘de plek van ons allemaal’ onvoldoende herkenning ervaart.

Juist daarin kan de uiteindelijke impact van de ON!-kwestie groter worden dan vooraf werd voorzien. Het publieke bestel kan zonder de organisatie Ongehoord Nederland voortbestaan, maar het kan zich moeilijk permitteren om het maatschappelijke geluid en het publiek waarvoor die organisatie ooit werd toegelaten eenvoudigweg als verdwenen te beschouwen. Wanneer dat publiek zich buiten Hilversum opnieuw organiseert, wordt de uitdaging voor de publieke omroep om zijn wettelijke pluriformiteitsopdracht én zijn eigen belofte van ‘de plek van ons allemaal’ overtuigend waar te maken alleen maar groter.

Van ON! naar ONlin!e is daarmee meer dan een aardige woordspeling. Het kan een voorproefje worden van een bredere ontwikkeling waarbij maatschappelijke en journalistieke pluriformiteit steeds minder vanzelfsprekend binnen omroepverenigingen wordt georganiseerd en steeds vaker ontstaat rond zelfstandige makers, digitale titels en communities buiten Hilversum. Voor ON! kan een vertrek daardoor onverwacht een tweede leven opleveren; voor de NPO kan precies dat tweede leven de legitimiteitsdiscussie juist verder aanscherpen.