
De missie van onze kwaliteitskranten laat weinig aan duidelijkheid te wensen over. Trouw schrijft dat het mensen met een open blik naar de wereld wil laten kijken en hen wil helpen een eigen oordeel te vormen. NRC richt zich op lezers die bereid zijn na te denken en wil hun de informatie bieden om zelfstandig conclusies te trekken. De Volkskrant omschrijft zichzelf als maatschappelijk betrokken en vooruitstrevend, samengevat in het inmiddels bekende motto ‘een koel hoofd en een warm hart’. Het Parool, voortgekomen uit het verzet, ziet het nog altijd als zijn opdracht de macht kritisch te volgen en de stad onafhankelijk te beschrijven. Het zijn stuk voor stuk missies die niet beginnen bij de krant zelf, maar bij de samenleving die zij zeggen te willen dienen.
Juist daarom valt mij een ontwikkeling op die ogenschijnlijk klein is, maar iets blootlegt dat fundamenteler is. Steeds vaker zie ik journalisten en columnisten van deze kranten op LinkedIn een prikkelende observatie delen, gevolgd door een uitnodiging om het debat aan te gaan. De eerste alinea is zichtbaar, de stelling scherp geformuleerd en de nieuwsgierigheid gewekt. Wie vervolgens doorklikt om de argumentatie te lezen, loopt tegen een betaalmuur aan.
Daar is op zichzelf niets mis mee. Onafhankelijke journalistiek is kostbaar en een redactie kan alleen bestaan wanneer er een gezond verdienmodel onder ligt. Wie verwacht dat kwaliteitsjournalistiek gratis beschikbaar blijft, miskent de economische werkelijkheid waarin uitgevers opereren. De betaalmuur is dus niet het probleem.
Interessanter is de vraag wat er gebeurt wanneer een krant tegelijkertijd zegt het publieke debat te willen stimuleren en de argumenten die dat debat zouden moeten voeden uitsluitend beschikbaar maakt voor betalende lezers. Dan ontstaat een spanning die niet zozeer economisch is, maar maatschappelijk. Niet omdat uitgevers verkeerde keuzes maken, maar omdat zij inmiddels een ander doel optimaliseren als de burger.
Tijdens een gesprek hierover hoorde ik de stelling dat de (zakelijke) belangen van uitgevers en burgers steeds meer tegenover elkaar komen te staan. Ik denk dat het subtieler ligt. Hun belangen zijn niet noodzakelijk strijdig, maar hun optimalisatiefuncties lopen steeds verder uiteen. Een uitgever optimaliseert begrijpelijkerwijs op loyaliteit, abonnementen, onderscheidend vermogen en betrokkenheid. Dat zijn de voorwaarden om een redactie overeind te houden. Een burger optimaliseert echter op iets heel anders. Die zoekt begrip, context, vertrouwen en uiteindelijk een afgewogen oordeel over een onderwerp dat vaak veel complexer is dan één artikel kan laten zien.
Dat verschil lijkt klein, maar wordt in een digitale samenleving steeds groter. Waar de uitgever zoekt naar de meest betrokken abonnee, zoekt de burger naar de best geïnformeerde positie. Die twee vielen jarenlang grotendeels samen. Wie een krant kocht, kreeg vrijwel vanzelf een breed beeld van de wereld. Tegenwoordig vindt een groot deel van het maatschappelijke gesprek plaats op open platforms, terwijl de onderliggende argumentatie steeds vaker achter gesloten deuren verdwijnt.
Daarmee verandert ook ongemerkt de rol van de journalist. De journalist was traditioneel degene die informatie toegankelijk maakte voor het publieke domein. Op sociale media wordt hij of zij steeds vaker ook de ambassadeur (of simpler: de verkoper) van een betaalde omgeving. Het persoonlijke gezag van de journalist of columnist wordt daarmee onderdeel van de abonnementsstrategie van de uitgever. Dat is geen verwijt aan individuele journalisten; zij bewegen zich binnen de economische logica van hun organisatie. Maar het is wel een ontwikkeling die schuurt met de maatschappelijke missies waarmee diezelfde organisaties zich profileren.
Juist in een tijd waarin kunstmatige intelligentie de hoeveelheid beschikbare informatie explosief laat groeien, verschuift de maatschappelijke waarde van journalistiek. Niet de schaarste aan informatie is nog het grootste probleem, maar de overvloed ervan. Burgers hebben minder behoefte aan nóg een exclusief artikel dan aan overzicht, context, verificatie en een zorgvuldige afweging van verschillende perspectieven. Dat zijn precies de elementen die nodig zijn om tot een weloverwogen oordeel te komen en daarmee ook de elementen waarop een democratische informatiesamenleving uiteindelijk drijft.
Misschien ligt daar wel de fundamentele vraag voor de komende jaren. Niet of kwaliteitsjournalistiek betaald mag worden, want daar zal weinig discussie over bestaan, maar of de manier waarop wij journalistiek financieren nog voldoende aansluit bij de maatschappelijke opdracht die kwaliteitskranten zichzelf geven. Wanneer de optimalisatie van de uitgever steeds verder verschuift richting loyaliteit en conversie, terwijl burgers juist behoefte hebben aan begrip en context, ontstaat geen conflict van belangen, maar wel een groeiende afstand tussen twee werelden die ooit vrijwel samenvielen. En misschien is juist die afstand een van de belangrijkste journalistieke vraagstukken van dit AI-tijdperk.
va
