
Minister van Cultuur Rianne Letschert staat voor een dilemma dat veel groter is dan de vraag of NPO Luister ook podcasts van buiten de publieke omroep moet toelaten. In de Tweede Kamer zegde zij deze week toe te onderzoeken of publiek-private samenwerking expliciet als opdracht in de nieuwe Mediawet kan worden vastgelegd. De politiek wil beweging in een mediabestel waarin samenwerking al jaren wordt bepleit maar moeizaam van de grond komt. Tegelijk is juist bij media (en zeker bij de journalistieke kant daarvan) de afstand tussen overheid en inhoud geen detail. Hoe neem je als overheid verantwoordelijkheid voor het functioneren van het bestel zonder gaandeweg verantwoordelijkheid voor die journalistiek zelf over te nemen?
Die vraag duikt ook op in het conflict tussen de regionale omroepen en het Commissariaat voor de Media. Hoofdredacteuren vinden dat het Commissariaat een grens overschrijdt met een onderzoek naar representatie. Wat volgens hen als oriënterend onderzoek begon, wordt nu gebruikt om veranderingen in de journalistieke praktijk te bevorderen. Wie in een verhaal relevant is en welke rol iemand krijgt, behoort tot de redactionele afweging.
Hun bezwaar is begrijpelijk. Een toezichthouder die aangeeft wie in een uitzending zichtbaar zou moeten zijn, komt dicht bij het terrein van de hoofdredacteur. Maar daarmee is de kwestie niet afgedaan. In een vorige column schreef ik juist kritisch over de neiging van de journalistiek om vertrouwen te vragen en de normen waarop dat vertrouwen berust vervolgens vooral zelf vast te stellen en te bewaken. Een redactiestatuut, beroepscode of klachtenprocedure is nuttig, maar bewijst nog niet dat een organisatie in de praktijk onafhankelijk en zorgvuldig handelt. Of dat dezelfde kwaliteit binnen heel de sector wordt gegarandeerd. Zelfregulering alleen is daarom onvoldoende.
Waar eindigt toezicht?
Voor een belangrijk deel van de mediasector bestaat onafhankelijk extern toezicht bovendien al. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de Mediawet en onder meer op de voorwaarden voor redactionele onafhankelijkheid. Omroepen blijven zelf verantwoordelijk voor vorm en inhoud van hun programma’s; voorafgaande beoordeling is uitgesloten. Tegelijk onderzoekt het Commissariaat ontwikkelingen rond onafhankelijkheid en pluriformiteit. Precies tussen die twee rollen ontstaat spanning. Onderzoek naar wie aan het woord komt kan inzicht bieden in het functioneren van het bestel. Maar zodra de toezichthouder op basis daarvan een verandering wenselijk noemt, krijgt zo’n conclusie gewicht omdat zij van de toezichthouder komt. Waar eindigt agenderen en begint een verwachting waaraan een redactie geacht wordt te voldoen?
De advocatuur als spiegel
De advocatuur biedt hier een interessante spiegel. Ook daar is onafhankelijkheid een van de wettelijke kernwaarden van de advocatuur en bestaat tegelijk weinig twijfel dat externe controle nodig is. Het kabinet wil het huidige toezicht door de dekens van de elf lokale orden onderbrengen bij één landelijke Onafhankelijke Toezichthouder Advocatuur, de OTA. Die wordt ondergebracht bij de Nederlandse orde van advocaten, maar moet onafhankelijk functioneren van zowel beroepsgroep als overheid. De Nederlandse orde onderschrijft het uitgangspunt van onafhankelijk toezicht terwijl zij tegelijk stevige voorwaarden stelt aan governance, bevoegdheden en bescherming van geheimhouding en verschoningsrecht.
Interessant is niet dat de journalistiek dit model zou moeten kopiëren. Zij is geen beschermd beroep en kent geen verplichte beroepsorde. Interessant is de poging om twee zaken die gemakkelijk als tegenstelling worden gepresenteerd tegelijk te organiseren: professionele autonomie én onafhankelijk toezicht. Een advocaat blijft verantwoordelijk voor zijn verdediging; de toezichthouder moet kunnen optreden bij overtredingen zonder zelf die verdediging te gaan voeren.
De journalistieke afweging
Voor journalistiek geldt een vergelijkbaar onderscheid. Wie iedere externe vraag over het eigen functioneren onmiddellijk als aantasting van de persvrijheid behandelt, maakt moeilijk duidelijk hoe maatschappelijke verantwoording dan wél wordt georganiseerd. Mijn scepsis over zelfregulering alleen blijft daarom staan. Het publiek zou toch niet uitsluitend af hoeven te gaan op de verzekering van de sector dat deze zijn zaken goed regelt? Maar de wens om verantwoording af te leggen geeft een toezichthouder nog niet het mandaat om journalistieke kwaliteitscriteria naar eigen inzicht vast te stellen.
Daar ligt ook Letscherts dilemma. De nieuwe Mediawet moet iets doen aan een bestel waarin publieke en private partijen elkaar nodig kunnen hebben, terwijl wettelijke sturing zelf nieuwe afhankelijkheden kan creëren. En hetzelfde geldt voor het Commissariaat: bij onderzoek moet herkenbaar zijn of het een ontwikkeling beschrijft, een gesprek opent of naleving van een wettelijke verplichting verlangt. Een onderzoek naar representatie kan een redactie aan het denken zetten; de beslissing om vervolgens bronnen, onderwerpen of werkwijze te veranderen blijft een journalistieke afweging.
De discussie over de nieuwe Mediawet zou daarom niet alleen moeten gaan over meer samenwerking of meer bevoegdheden. Minstens zo belangrijk is de vraag waar die bevoegdheden ophouden. De advocatuur laat zien dat onafhankelijk toezicht en professionele autonomie niet elkaars tegenpolen hoeven te zijn, mits precies wordt vastgelegd wie waarop aanspreekbaar is. Misschien is dat ook voor de journalistiek de interessantere vraag: niet óf er toezicht mag zijn, maar hoe je toezicht zo organiseert dat het gezag krijgt juist doordat het niet probeert de journalistiek over te nemen.
