Blog Guido van Nispen: De journalistiek verdient meer dan een papieren kwaliteitsstelsel

Wie het recente bericht op Joop over de boerenprotesten leest, zal zich waarschijnlijk niet verbazen over de politieke toon. Joop presenteert zich immers nadrukkelijk als de online opiniepagina van BNNVARA waar nieuws, opinie en debat samenkomen. Toch roept juist dat artikel in de categorie ‘actueel’ een interessantere vraag op dan de inhoudelijke discussie over stikstof of boerenprotesten. De vraag is namelijk hoe de journalistieke kwaliteitscontrole in Nederland daadwerkelijk functioneert wanneer een nieuwsbericht stevige kwalificaties bevat die slechts beperkt worden onderbouwd.

In de kop staat zonder voorbehoud dat Agractie “desinformatie verspreidt”. Wie vervolgens het artikel leest, ontdekt dat die conclusie grotendeels wordt gebaseerd op een rekentool waarvan het ministerie zegt dat deze boeren “niet goed informeert”. Dat is een belangrijk onderscheid. Onvoldoende informeren is niet automatisch hetzelfde als desinformatie verspreiden. Natuurlijk kan een redactie tot die conclusie komen, maar juist dan mag van professionele journalistiek worden verwacht dat zichtbaar wordt gemaakt waarom die kwalificatie gerechtvaardigd is. Daar begint de discussie niet over politieke voorkeur, maar over journalistiek vakmanschap.

Dat vakmanschap is opmerkelijk goed beschreven ‘op papier’. De NVJ Code schrijft voor dat een journalist de waarheid zoekt op basis van feiten, evenwichtig verslag doet, transparant werkt en duidelijk onderscheid maakt tussen feiten en meningen. BNNVARA onderschrijft die uitgangspunten nadrukkelijk in haar eigen Mediagedragscode. Daarin wordt journalistieke onafhankelijkheid gekoppeld aan professionele kwaliteit, de Code Journalistiek Handelen en de verantwoordelijkheid om journalistieke normen daadwerkelijk te borgen.

Op papier ziet dat er dus indrukwekkend uit. Vrijwel iedere journalistieke organisatie beschikt tegenwoordig over redactiestatuten, gedragscodes, interne procedures, ombudsmannen en klachtenregelingen. En ze hoeven het zelf allemaal niet te bedenken als ze dat niet willen, de Nederlandse Vereniging van Journalisten geeft model voorbeelden.  Wie alleen de documenten leest, zou kunnen concluderen dat de kwaliteitsborging uitstekend is georganiseerd.

Juist daarom is de recente publicatie van het Commissariaat voor de Media waar ik zaterdag over schreef zo interessant. Het Commissariaat maakt namelijk een belangrijke stap door niet langer uitsluitend te kijken naar het bestaan van regels, maar expliciet onderscheid te maken tussen de opzet, het bestaan en de werking van journalistieke kwaliteitswaarborgen. Anders gezegd: niet alleen de vraag of procedures bestaan is relevant, maar vooral of zij in de dagelijkse praktijk daadwerkelijk functioneren.

Toch wringt daar nog iets. Tijdens een gesprek dat ik onlangs met het Commissariaat voerde, moest ik denken aan een professionele restaurantkeuken. Stel dat een inspecteur de keuken binnenloopt en zorgvuldig controleert of alle HACCP-handleidingen aanwezig zijn, of de leerboeken netjes in de kast staan, of de apparaten voorzien zijn van gebruiksinstructies en of medewerkers hun verplichte opleidingen hebben gevolgd. Dat zijn stuk voor stuk zinvolle controles. Maar dezelfde inspecteur zal toch ook willen zien dat het keukenpersoneel die zaken daadwerkelijk inzetten.

Precies dat risico zie ik ook in de journalistiek. De sector beschikt over een indrukwekkend arsenaal aan regels, statuten en gedragscodes. Hoofdredacties houden toezicht, ombudsmannen behandelen klachten, de Raad voor de Journalistiek doet uitspraken en uiteindelijk kan zelfs de rechter worden ingeschakeld. Het zijn allemaal belangrijke onderdelen van het systeem. Maar vrijwel allemaal functioneren zij nadat een publicatie al heeft plaatsgevonden.

Dat is precies de zwakte van het huidige model. Een artikel is dan al gepubliceerd, gedeeld via sociale media, door AI-systemen samengevat, opgenomen in zoekmachines en onderdeel geworden van het publieke debat. Een latere correctie bereikt zelden hetzelfde publiek als de oorspronkelijke publicatie. Iedere journalist weet dat een rectificatie vrijwel nooit dezelfde impact heeft als de eerste kop.

Juist daarom is de vergelijking met andere professionele sectoren interessant. Geen enkele autofabrikant zou serieus beweren dat de kwaliteitscontrole uitstekend functioneert omdat defecte auto’s achteraf netjes worden teruggeroepen. In vrijwel iedere professionele omgeving verschuift kwaliteitszorg steeds verder naar het productieproces zelf, omdat fouten daar goedkoper, sneller en effectiever kunnen worden voorkomen dan achteraf kunnen worden gerepareerd.

De journalistiek lijkt die stap nog onvoldoende te hebben gezet. De nadruk ligt nog steeds sterk op herstelmechanismen nadat iets mis is gegaan. Natuurlijk blijven hoofdredacties, ombudsmannen, de Raad voor de Journalistiek en uiteindelijk de rechter onmisbaar. Maar zij vormen geen vervanging voor een kwaliteitscontrole die tijdens het journalistieke productieproces zichtbaar en aantoonbaar werkt.

Misschien is dat wel de belangrijkste les van zowel het voorbeeld Joop-artikel als het nieuwe toezichtkader van het Commissariaat. De sector hoeft niet méér gedragscodes te schrijven. Ook ontbreekt het niet aan redactiestatuten of beroepsnormen. De vraag is veel eenvoudiger en tegelijkertijd veel belangrijker. Werken die afspraken daadwerkelijk op het moment dat een journalist, eindredacteur en hoofdredacteur besluiten een artikel te publiceren?

Vertrouwen ontstaat uiteindelijk niet doordat een sector kan laten zien dat de leerboeken netjes in de kast staan. Vertrouwen ontstaat wanneer burgers ervaren dat de professionele standaarden ook daadwerkelijk zichtbaar zijn in het eindproduct. Juist voor een beroepsgroep die dagelijks anderen aanspreekt op kwaliteit, transparantie en verantwoording zou dat misschien wel de belangrijkste maatstaf van allemaal moeten zijn.