Blog Guido van Nispen: Hilversum verdeelt de macht, de platforms organiseren de toegang

De Nederlandse omroepsector ziet de digitale toekomst aankomen. De vraag is of zij bereid is zich er gezamenlijk op in te richten. Wie de consultatiereacties op de omroephervorming naast een nieuwe Duitse scenariostudie legt, ziet veel overeenstemming over de dreiging. Zodra het gaat over bevoegdheden, inkomsten en toegang, valt die overeenstemming uiteen.

In The German Media Market 2035 onderzoeken Christian Zabel en Ulrike Rohn hoe het journalistieke medialandschap zich kan ontwikkelen. Hun opdrachtgevers zijn ARD, ZDF en Deutschlandradio. Dat verdient vermelding bij een studie die de publieke omroep een centrale rol toekent. Het maakt de analyse niet onbruikbaar, maar vraagt om dezelfde kritische afstand die ook bij Nederlandse sectorreacties past.

De auteurs presenteren vier scenario’s, gebaseerd op literatuuronderzoek, 34 deskundigeninterviews en een aanvullende schattingsronde met dertien experts. Geen voorspellingen die onvermijdelijk uitkomen. Het verschil tussen de scenario’s wordt vooral bepaald door de diepte van de verandering door AI en het vermogen van mediapartijen om gezamenlijk te handelen.

In alle vier worden internationale platforms belangrijke toegangspoorten. Traditionele verdienmodellen staan onder druk. In de ongunstigste uitwerking halveert het aantal professionele journalisten in Duitsland richting 2035. Zulke cijfers laten zich niet naar Nederland overzetten. Ze maken wel zichtbaar hoeveel verschil beleidskeuzes en samenwerking volgens de onderzoekers kunnen maken.

De Nederlandse reacties bevestigen vooral dat partijen dezelfde kwetsbaarheid herkennen. Zij bewijzen nog niet dat de Duitse toekomstbeelden werkelijkheid worden.

Neem digitale infrastructuur. De NPO vraagt een structureel garantiebudget voor haar platforms. Zonder zo’n garantie dreigt bij financiële druk een keuze tussen programma’s en de voorzieningen waarmee die programma’s het publiek bereiken. De NVJ vraagt wettelijke maatregelen voor digitale vindbaarheid. Hilversum bepleit verplichtingen voor platforms en apparatenmakers.

Dat sluit nauw aan bij de Duitse analyse: publieke waarde ontstaat niet uitsluitend bij de productie. Ook de toegang tot het publiek moet worden georganiseerd. Een programma dat beschikbaar is, is nog niet vanzelfsprekend zichtbaar.

Maar hier verschijnt ook het verschil. De Duitse studie beschrijft een publieke omroep die samen met private partijen infrastructuur, standaarden en journalistieke voorzieningen ontwikkelt. In Nederland gaat het gesprek nog sterk over de vraag hoeveel de NPO mag sturen en hoeveel zelfstandigheid de omroephuizen behouden.

AVROTROS en PowNed, BNNVARA en Omroep ZWART en KRO-NCRV willen een voornamelijk coördinerende NPO. MAX vindt de hervorming ingrijpender dan nodig. Bescherming van identiteit is een legitiem belang. Toch blijft de vraag wie straks voldoende middelen en mandaat heeft om gezamenlijke digitale voorzieningen te ontwikkelen.

Meer zelfstandigheid binnen het bestel levert niet automatisch meer zelfstandigheid tegenover YouTube of een AI-aanbieder op.

Bij reclame wordt de afstand tussen gezamenlijke diagnose en afzonderlijk belang nog duidelijker. Ster en verschillende publieke omroepen vragen ruimere digitale reclamemogelijkheden. De commerciële omroepen verzetten zich tegen verruiming voor de publieke omroep, terwijl zij voor hun eigen zenders soepelere regels wensen.

Daarmee spreken zij de Duitse analyse van platformmacht niet rechtstreeks tegen. Zij kiezen een andere prioriteit: bescherming van hun positie tegenover de publiek gefinancierde concurrent. Dat belang verdwijnt niet doordat internationale platforms machtiger worden. Maar een nationaal debat over reclameverdeling kan ook blijven steken in onderlinge verschuivingen, terwijl de voorwaarden voor digitale exploitatie elders worden bepaald.

De Duitse studie verkent gezamenlijke reclameverkoop. De Nederlandse reacties laten zien hoeveel wantrouwen daarvoor eerst moet worden overwonnen.

Wie publieke omroep als kritieke infrastructuur beschouwt, moet precies vastleggen wie daarbinnen beslist. De NVJ waarschuwt dat bestuurlijke bevoegdheden en sancties steviger worden geregeld dan de positie van redacties en hoofdredacteuren.

Dat is meer dan een uitvoeringsdetail. Een slagvaardige organisatie kan journalistiek kwetsbaar blijven. Samenwerking vraagt daarom om begrensde bestuurlijke macht, beschermde redactionele verantwoordelijkheid en ruimte voor verschillende journalistieke stemmen.

Ook de zorgen over cultuur en onafhankelijke producenten leggen een voorwaarde bloot. NTR-medewerkers en culturele organisaties vrezen verlies van expertise en continuïteit. NAPA en NCP vragen transparante toegang tot opdrachten en bescherming tegen bevoordeling van interne productie.

Hun reacties passen bij de Duitse gedachte dat publieke bestedingen een bredere mediasector kunnen dragen. Tegelijk waarschuwen zij voor de keerzijde: een grotere publieke spil kan ook een moeilijk toegankelijke opdrachtgever worden. Wie zich infrastructuur noemt, moet toegang organiseren voor anderen.

Mijn conclusie is dat de hervorming te weinig richting krijgt wanneer zij vooral wordt beoordeeld op de verdeling van bevoegdheden tussen bestaande organisaties. De maatstaf moet zijn of zij onafhankelijke journalistiek, culturele productie en gezamenlijke digitale toegang daadwerkelijk sterker maakt. Daar horen structurele middelen, open toegang en redactionele tegenmacht bij.

De Nederlandse reacties bevatten daarvoor veel bouwstenen. Ze vormen nog geen gezamenlijke afspraak. Misschien wordt die bereidheid pas zichtbaar wanneer een partij moet aangeven welke bevoegdheid, welk budget of welk exclusief voordeel zij zelf wil delen.