
Wie wil begrijpen hoe de Verenigde Staten kunstmatige intelligentie beschouwen, moet niet naar een beleidsnota kijken, maar naar een tafelschikking. Dinsdag 29 september organiseerde Donald Trump in de East Room van het Witte Huis een lunch voor wat hij zelf omschreef als de mensen die Amerika’s nieuwe “Golden Age” bouwen. Aan de lange tafel zat een opmerkelijk deel van de Amerikaanse technologische macht bijeen.
Direct naast Trump zaten Nvidia-topman Jensen Huang en Elon Musk (zie een interview met beiden na afloop van de lunch en hoe zij denken over de VS en hoe AI het land zal laten groeien). Een stoel verder zaten Mark Zuckerberg van Meta en Sundar Pichai van Google. Verderop zagen we Satya Nadella van Microsoft, Jeff Bezos, Lisa Su van AMD, Alex Karp en Shyam Sankar van Palantir, Nikesh Arora van Palo Alto Networks en Bill McDermott van ServiceNow. OpenAI werd vertegenwoordigd door president Greg Brockman, Anthropic door CEO Dario Amodei en Tom Brown. Ook vicepresident JD Vance, voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Mike Johnson en verschillende leden van de regering schoven aan. (Apple ontbrak opvallend.)
Ook de plaats aan tafel vertelde iets. Brockman zat vijf plaatsen van Trump, Amodei zes. Microsoft zat dichter bij de president dan OpenAI. Chipmakers Nvidia en Broadcom hadden prominente posities. Je moet met zo’n tafelschikking oppassen (protocollaire geografie is geen exacte wetenschap) maar het beeld was interessant. De bijeenkomst ging niet alleen over de makers van AI-modellen. De hele industriële keten zat aan tafel: modellen, chips, cloud, cybersecurity, datacenters, defensietechnologie en kapitaal.
Dat past bij wat er inhoudelijk gebeurde. Trump herhaalde zijn steun voor een snelle uitbreiding van datacenters. Huang noemde die na afloop zelfs “super intelligence factories” en stelde dat ze bijdragen aan de herindustrialisering van Amerika. Datacenters worden daarmee niet behandeld als een vervelend neveneffect van digitalisering, maar als strategische infrastructuur, vergelijkbaar met fabrieken, energievoorziening en transportnetwerken.
Maar het meest interessante resultaat van de lunch was een document van nauwelijks een pagina: de Joint Commitment on Frontier Responsibilities. Trump noemde het “morally binding” en vergeleek het zelfs met een grondwet. De zes technologiebedrijven die tekenden — Google, Anthropic, Meta, OpenAI, xAI en Nvidia — spreken daarin af vier lagen van controle in te voeren. Modellen moeten intern worden gevolgd op onder meer cybersecurity-, biosecurity- en chemische risico’s. Een afzonderlijk intern team moet controleren of die maatregelen functioneren. Daarnaast moeten onafhankelijke externe auditors worden ingezet en moet uiteindelijk een onafhankelijke commissie binnen de raad van bestuur toezicht houden op de uitkomsten. ‘Super Intelligence’:
Dat is bestuurlijk interessanter dan het woord zelfregulering misschien doet vermoeden. Er ontstaat feitelijk een governanceketen van technologie naar management, externe controle en boardroom. Zuckerberg omschreef het na afloop als een combinatie van interne risicobeoordeling, externe auditors en evaluatoren, waarna onafhankelijke commissies van de boards de rapportages beoordelen.
En toen gebeurde iets wat bijna komisch lijkt, maar beleidsmatig minder onschuldig is. Artificial Intelligence heet volgens de Amerikaanse regering voortaan Super Intelligence. Trump tekende dezelfde dag een executive order die federale overheidsorganisaties opdraagt in communicatie, websites, rapporten en beleidsdocumenten zoveel mogelijk “SI” te gebruiken in plaats van “AI”. Juridisch verandert de definitie niet: SI verwijst voor deze order naar dezelfde technologie die de Amerikaanse wet als artificial intelligence definieert. De framing verandert wel.
Daarmee gebeurde in één middag eigenlijk iets groters dan het tekenen van een veiligheidsverklaring. De Amerikaanse regering positioneert AI tegelijkertijd als industriepolitiek, geopolitiek project en bestuurlijk vraagstuk. De boodschap is niet: eerst regels maken en vervolgens innovatie toestaan. Het uitgangspunt lijkt eerder: zo snel mogelijk bouwen, bedrijven zelf verantwoordelijk maken voor de eerste verdedigingslinie en pas later bekijken welke onderdelen daarvan in wetgeving moeten worden vastgelegd. Het akkoord zegt dat laatste zelfs expliciet.
Voor Europa is dat een interessante tegenstelling. Hier gaat het gesprek vaak eerst over classificatie, verplichtingen, toezicht en rechtsbescherming. In Washington zaten president, politiek en industrie letterlijk aan dezelfde tafel om afspraken te maken terwijl de technologie zich verder ontwikkelt. Dat model kent evidente risico’s, juist omdat degene die gecontroleerd moet worden een belangrijke rol krijgt bij het ontwerpen van de controle (op zich niet anders als hoe advocaten en journalisten het hier regelen). Maar het heeft ook een bestuurlijke logica die we niet te snel moeten wegzetten als alleen deregulering.
Misschien is daarom niet de naamsverandering van AI naar SI het belangrijkste signaal uit Washington. Interessanter is wie er rond die tafel zaten en waarvoor zij hun handtekening zetten. De bedrijven die de technologie bouwen, de chips leveren, de infrastructuur ontwikkelen en de beveiliging verzorgen, accepteren daarmee expliciet dat AI niet langer uitsluitend een technologisch product is. Het is een systeem geworden waarvoor interne controle, onafhankelijke toetsing en bestuurlijke verantwoordelijkheid nodig zijn.
De vraag is alleen wie uiteindelijk bepaalt of die verantwoordelijkheid ook werkelijk wordt genomen. In de VS ligt het eerste antwoord voorlopig bij dezelfde mensen die rond de tafel zaten.
