
Verplichtingen voor Netflix en andere internationale streamingdiensten om geld te steken in lokale audiovisuele producties leiden niet automatisch tot méér nieuwe films en series. De precieze inrichting van de regels bepaalt in belangrijke mate waar het geld terechtkomt. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van Ivana Kostovska van imec-SMIT/Vrije Universiteit Brussel. Kostovska analyseerde 42 beleids- en juridische documenten en hield twaalf interviews met onder meer producenten, toezichthouders en filmfondsen in Vlaanderen, Portugal, Kroatië en Denemarken.
Sinds de herziening van de Europese Audiovisual Media Services Directive kunnen lidstaten streamingdiensten die zich op hun markt richten verplichten financieel bij te dragen aan Europese of lokale audiovisuele producties. Landen hebben die mogelijkheid echter zeer verschillend ingevuld. Kleinere markten hanteren doorgaans lagere percentages en flexibelere regels dan grote productielanden als Frankrijk en Italië.
Die flexibiliteit kan betekenen dat een streamer niet noodzakelijk een nieuwe serie of film hoeft te laten produceren. In Portugal kan aan de verplichting bijvoorbeeld ook worden voldaan door rechten op Portugese producties te kopen. In Kroatië bleek dit effect nog duidelijker: streamingdiensten participeerden volgens het onderzoek vooral via licenties en niet via directe investeringen in nieuwe lokale producties. Netflix kocht daar in 2023 onder meer een pakket van twaalf reeds bestaande Kroatische films en kon die uitgaven laten meetellen voor de investeringsplicht.
Vlaanderen laat zien dat een andere uitkomst mogelijk is. Netflix voldeed daar onder meer via coproducties van de tweede en derde reeks van Knokke Off. Geïnterviewde Vlaamse producenten stellen dat de regelgeving daardoor niet alleen extra financiering oplevert, maar producties ook toegang geeft tot nieuwe financiers en internationale distributie.
Kostovska concludeert daarom dat niet alleen het percentage van een investeringsverplichting telt. Ook voorwaarden rond onafhankelijke producenten, nieuwe producties, licenties, quota en de zichtbaarheid van lokale titels zijn bepalend. In kleine markten wordt licentiëring relatief vaak als geldige investering geaccepteerd, waardoor de bijdrage aan de daadwerkelijke productiecapaciteit beperkter kan blijven.
Dat maakt het onderzoek bijzonder relevant voor Nederland. Sinds 2024 moeten grote streamingdiensten met meer dan €10 miljoen Nederlandse jaaromzet 5 procent van hun relevante Nederlandse omzet investeren in Nederlands cultureel audiovisueel aanbod. Ten minste 60 procent van het investeringsbedrag moet betrekking hebben op onafhankelijke producties, maar ook de Nederlandse wet betekent niet dat al dat geld naar nieuw te maken producties gaat. Naast productie en coproductie telt ook de aanschaf vooraf van een exploitatielicentie voor een nog niet voltooide productie mee, én kan een streamer een licentie kopen van een productie die op dat moment maximaal vier jaar oud is.
WAARDEER DIT ARTIKEL!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage, dan kan dat. Zo help je onafhankelijke mediajournalistiek in stand houden.
