Blog Guido van Nispen: Een sterke toezichthouder  kan helpen bij het vertrouwen in de media terug te winnen

Dat journalistiek onmisbaar is voor een gezonde democratie staat voor mij buiten kijf. Zonder onafhankelijke verslaggeving, kritische vragen en betrouwbare informatie verliest een samenleving haar gezamenlijke werkelijkheid. Juist daarom is het zorgelijk dat het vertrouwen in nieuws al jaren langzaam afbrokkelt. Nederland behoort nog altijd tot de internationale kopgroep, maar achter dat geruststellende gemiddelde tekent zich een ontwikkeling af die we eerder zagen in landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De belangstelling voor nieuws neemt af, het regelrechte wantrouwen is sinds 2018 ongeveer verdubbeld en steeds meer Nederlanders halen hun nieuws uitsluitend van sociale media. Bovendien bungelt Nederland onderaan in bereidheid om voor online nieuws te betalen. Dat is geen plotselinge crisis, maar een stille erosie die, als zij niet wordt gestopt, uiteindelijk net zo ontwrichtend kan zijn.

Juist daarom is het opvallend dat de journalistieke sector haar blik nog zo vaak naar buiten richt. Big Tech, algoritmen, AI en sociale media worden terecht genoemd als factoren die het informatielandschap ingrijpend veranderen, maar daarmee is nog niet verklaard waarom burgers ook het vertrouwen in de journalistiek zelf verliezen. Wie de cijfers goed leest, ziet dat het probleem dieper ligt. Vertrouwen verdwijnt zelden in één klap; het verdwijnt wanneer mensen steeds vaker het gevoel krijgen dat nieuws hen niet langer helpt de samenleving beter te begrijpen. Dan ontstaat afstand, vervolgens twijfel en uiteindelijk afhaken.

In dat licht verdient het nieuwe toezichtkader van het Commissariaat voor de Media veel meer aandacht dan het tot nu toe krijgt. Opmerkelijk genoeg kiest het Commissariaat nadrukkelijk niet voor inhoudelijk toezicht, maar voor systeemtoezicht. Het gaat niet beoordelen of een journalist de juiste vraag stelde of de juiste conclusie trok, maar onderzoekt of mediaorganisaties hun journalistieke kwaliteit daadwerkelijk organiseren, toetsen, evalueren en voortdurend verbeteren. Bestuurders en raden van toezicht worden daarbij expliciet verantwoordelijk gemaakt voor de opzet, het bestaan én de werking van die kwaliteitswaarborgen.

Eigenlijk zou de journalistieke sector zo’n ontwikkeling moeten omarmen. Niet omdat toezicht prettig is, maar omdat vertrouwen nooit ontstaat door te zeggen dat je onafhankelijk bent. Vertrouwen ontstaat wanneer burgers kunnen zien dat een organisatie bereid is zichzelf voortdurend kritisch te laten toetsen. In vrijwel iedere sector die een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt is dat vanzelfsprekend. Artsen worden gevisiteerd, accountants gecontroleerd en luchtvaartmaatschappijen permanent geïnspecteerd. Niemand ziet dat als een aantasting van hun professionele autonomie. Integendeel, juist die onafhankelijke kwaliteitscontrole vormt de basis onder het maatschappelijke vertrouwen.

Bij de journalistiek lijkt die reflex vaak precies andersom. Zodra een toezichthouder zich met kwaliteit bezighoudt, klinkt al snel het argument dat de redactionele onafhankelijkheid in gevaar komt. Dat is een merkwaardige redenering. Het Commissariaat wil immers niet bepalen welke artikelen geschreven moeten worden of welke meningen mogen worden gepubliceerd. Het vraagt iets veel fundamentelers: laat zien dat uw eigen kwaliteitsnormen daadwerkelijk werken, dat fouten worden geëvalueerd, dat tegenspraak is georganiseerd en dat bestuurders verantwoordelijkheid nemen wanneer het misgaat. Dat is geen beperking van journalistieke vrijheid, maar een noodzakelijke voorwaarde om die vrijheid geloofwaardig te houden.

Daar komt nog iets bij. De journalistiek zegt graag dat zij het publieke belang dient, maar kijkt in de praktijk steeds vaker door de bril van het eigen businessmodel. Grote mediabedrijvensturen op portfolio-management, doelgroepsegmentatie en abonnementsstrategieën. Iedere titel krijgt een steeds scherper profiel om bestaande lezers, lusteraars en kijkers vast te houden. Ook binnen de publieke omroep bedienen afzonderlijke merken vooral hun eigen achterban. Vanuit commercieel perspectief is dat logisch, maar vanuit democratisch perspectief ontstaat een fundamenteel probleem. Burgers leven immers niet in doelgroepen. Zij leven samen.

Het wrange is dat dezelfde sector vervolgens sociale media verwijt informatiebubbels te creëren, terwijl zij zelf al jaren werkt aan steeds scherpere profilering van redacties en publieken. Zij waarschuwt voor de macht van AI-platforms, terwijl zij tegelijkertijd volop investeert in AI, licentieovereenkomsten sluit en nieuwe verdienmodellen ontwikkelt die op steeds geporfileerdere segementen zijn gebaseerd. Dat mag allemaal, maar het wordt ongeloofwaardig wanneer iedere discussie over afnemend vertrouwen onmiddellijk wordt teruggebracht tot de fouten van derden. De belangrijkste vraag zou niet moeten zijn wat Big Tech verkeerd doet, maar wat de journalistiek zelf iedere dag beter kan doen om het vertrouwen van burgers terug te verdienen.

Precies daarom is het toezichtkader van het Commissariaat zo relevant. Niet omdat een toezichthouder bepaalt wat goede journalistiek is, maar omdat een onafhankelijke partij zichtbaar maakt of mediaorganisaties hun eigen normen daadwerkelijk naleven. Continue, toetsbare kwaliteitsborging is geen bedreiging voor de journalistiek, maar misschien wel haar sterkste verdedigingslinie. In een tijd waarin iedereen informatie kan publiceren, AI overtuigende teksten kan schrijven en desinformatie steeds professioneler wordt, onderscheidt de journalistiek zich uiteindelijk niet door te roepen dat zij betrouwbaar is, maar door iedere dag opnieuw aantoonbaar te laten zien dat zij betrouwbaarheid organiseert, controleert en verbetert.

Misschien is dat wel de grootste uitdaging voor de journalistiek van deze tijd. Niet harder wijzen naar Big Tech, maar harder naar zichzelf kijken. De journalistiek zou daarom niet terughoudend moeten zijn tegenover stevig systeemtoezicht door het Commissariaat, maar juist moeten verlangen naar een toezichthouder die voldoende onafhankelijk én voldoende gezaghebbend is om het vertrouwen van burgers mede te helpen herstellen.”