
Stel je voor dat je als mediacoach wordt gevraagd om topfunctionarissen van de AIVD en Binnenlandse Zaken voor te bereiden op mogelijke verhoren na een politieke moord. En stel je voor dat je tijdens die trainingen hoort dat de vraag naar de beveiliging van Pim Fortuyn nog steeds openstaat. Wat doe je dan? Dat overkwam mij, enkele maanden na 6 mei 2002.
Ik was op dat moment niet meer actief in de verslaggeving, maar had daarvoor ruim 25 jaar in de journalistiek gewerkt — onder meer bij de AVRO en TROS Aktua — en was jarenlang lid van de NVJ. Kort na de moord heb ik als mediacoach circa dertig trainingen verzorgd voor topfunctionarissen van de AIVD en Binnenlandse Zaken, ter voorbereiding op mogelijke verhoren door de commissie-Van den Haak. Trainingen die, zoals gebruikelijk in dit soort trajecten, buiten het zicht van de buitenwereld plaatsvonden. Tijdens die sessies stond één vraag centraal: was de beveiliging van Pim Fortuyn adequaat geweest?
Een van de deelnemers, dreigingsanalist Berrie Hanselman, bevestigt nu dat hij deze trainingen heeft gevolgd en dat deze vraag volgens hem tot op de dag van vandaag niet is beantwoord — en waarover hij zelf zegt, tot zijn verbazing, nooit te zijn gehoord.
Opvallend is daarnaast dat Erik Akerboom, de onlangs vertrokken directeur-generaal van de AIVD, wel met de media spreekt, maar niet inhoudelijk ingaat op de kwestie-Fortuyn, terwijl een collega, secretaris-generaal Jan Willem Holtslag, zich daar eerder wél over heeft uitgelaten. Dat plaatst deze kwestie in een ander licht.
Het gaat hier niet alleen om een gebeurtenis uit het verleden, maar om een vraag die destijds binnen de overheid zelf al nadrukkelijk werd gesteld — en die, zoals nu blijkt, nog steeds openstaat. En die vraag is vandaag opnieuw relevant.
Politici worden nog steeds bedreigd. Journalisten krijgen in toenemende mate te maken met intimidatie en geweld. De druk op het publieke debat is niet verdwenen — die is structureel geworden. En dat maakt een vergelijking met 2002 onvermijdelijk.
In datzelfde jaar besloot de Tweede Kamer tot een parlementaire enquête naar de bouwfraude. Met openbare verhoren, getuigen onder ede en maximale transparantie. Voor fraude in de bouw werd dus het zwaarste onderzoeksinstrument ingezet. Maar voor de moord op Pim Fortuyn gebeurde dat niet.
Waarom eigenlijk niet?
Het is een vraag die niet alleen politiek relevant is, maar ook journalistiek. Want wat hebben wij als omroepjournalisten destijds gedaan? Hebben we voldoende doorgevraagd op de rol van de overheid?Hebben we scherp genoeg gekeken naar wat wel en niet werd onderzocht? Of hebben we ons laten meeslepen door de snelheid en de scherpte van het debat van dat moment?
In de afgelopen periode heb ik deze gesprekken en bevindingen verwerkt in een boek over de moord op Pim Fortuyn. Het boek wordt voorafgegaan door een beschouwing van rechtsfilosoof Paul Cliteur, waarin de bredere betekenis van deze zaak voor de rechtsstaat en het publieke debat wordt geplaatst.
Niet om conclusies te forceren, maar om vast te leggen wat er is gezegd, wat er niet is gevraagd, en welke vragen tot op de dag van vandaag blijven bestaan. De zaak-Fortuyn is in die zin geen afgesloten hoofdstuk. Het is een spiegel. Een spiegel die laat zien hoe journalistiek functioneert onder druk. En hoe moeilijk het is om afstand te bewaren wanneer het nieuws zich midden in je eigen wereld afspeelt. Misschien is dat wel de belangrijkste les. Niet dat we destijds alles verkeerd hebben gedaan. Maar dat we ons moeten blijven afvragen of we alles hebben gedaan wat mogelijk was.
Met het oog op 6 mei 2026, wanneer de moord op Pim Fortuyn opnieuw zal worden herdacht, dringt de vraag zich op of wij als journalistiek die openstaande vragen alsnog onder ogen willen zien.
Hans Izaak Kriek
Journalist en schrijver
Boek:Pim Fortuyn: Moord op bestelling? ISBN: 9 789465 331 447
