(Blog Lawrence Vasseur): Sloop het bestel, red de journalistiek: Hoe ruim 180 miljoen euro de regio kan redden

Hoe we door heilige huisjes te slopen miljoenen besparen én de lokale journalistiek eindelijk het miljoenenpubliek geven dat ze verdient.

Het Nederlandse omroepbestel begint niet met een wet, een commissie of een beleidsnota, maar met een man in zijn huiskamer. In 1919 zendt ingenieur Hanso Idzerda vanuit zijn woning in Den Haag een radioprogramma uit via de ether. Geen omroep, geen bestel, geen toezicht. Dat moment wordt vaak gezien als het echte begin van de Nederlandse radio.

Een latere versie van de zender van Idzerda

Een paar jaar later, in 1923, krijgt dat experiment een vastere vorm met de oprichting van de Hilversumsche Draadlooze Omroep. Vrij snel daarna volgen de omroepen die we nu nog steeds kennen: AVRO (1923), KRO (1925), NCRV (1924), VARA (1925) en later ook de VPRO (1926). Ze ontstaan niet zomaar; ze zijn een directe afspiegeling van de verzuilde samenleving van die tijd. Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen organiseren hun eigen geluid, letterlijk en figuurlijk.

Opvallend genoeg duurt het tot 1930 voordat de overheid zich serieus met dat groeiende radiolandschap gaat bemoeien. Met het Zendtijdbesluit wordt vastgelegd hoe de zendtijd verdeeld moet worden tussen de verschillende omroepen. De politiek loopt daarmee, zoals zo vaak in mediabeleid, achter de feiten aan. Dat patroon zal nog vaak terugkomen.

Televisie doet zijn intrede in 1951, met de eerste officiële uitzending van de Nederlandse Televisie Stichting. Wat volgt is een periode van snelle groei, maar ook van toenemende spanning. In de jaren zestig en zeventig komt het publieke bestel onder druk te staan door commerciële initiatieven van buitenaf. Piratenzenders als Radio Veronica en later TV Noordzee zenden vanaf zee uit en trekken massaal publiek. Zo groot zelfs, dat het kabinet-Marijnen in 1965 struikelt over de vraag hoe hiermee om te gaan.

Toch blijft het publieke bestel nog decennialang stevig verzuild. Pas in 1987 komt er een nieuwe Mediawet die een duidelijke koerswijziging inzet. De omroepen moeten zich voortaan gezamenlijk presenteren als één publieke omroep, om zo beter bestand te zijn tegen de opkomst van buitenlandse commerciële zenders.

Maar opnieuw blijkt de werkelijkheid sneller dan de wetgever. In 1989 start RTL Veronique via een juridische omweg met commerciële televisie gericht op Nederland. In 1992 volgt de officiële legalisering van commerciële omroepen. De publieke omroep is blijkt nu slechts één van de vele mediapartijen.

In 2008 wordt opnieuw een Mediawet aangenomen, bedoeld om het bestel te moderniseren en toekomstbestendig te maken. Inmiddels zijn we weer een aantal jaren verder en ligt de publieke omroep opnieuw onder vuur. Er moet worden bezuinigd, zo klinkt het vanuit de politiek. De NPO verzet zich daar fel tegen. In de praktijk lijken bezuinigingen vooral neer te komen op het schrappen van programma’s, terwijl tegelijkertijd het beeld blijft hangen van een organisatie met veel managementlagen en hoge salarissen aan de top.

Hoe het bestel nu in elkaar zit

Wie vandaag de dag naar het Nederlandse omroepbestel kijkt, ziet geen strak georganiseerde machine, maar eerder een gelaagd bouwwerk dat in de loop van tientallen jaren is opgetrokken. Het bestaat uit drie niveaus: landelijk, regionaal en lokaal. Elk met een eigen rol, eigen organisaties en eigen problemen.

Bovenaan staat de landelijke laag: de NPO. Sinds de invoering van de Mediawet in 2008 is de Nederlandse Publieke Omroep het overkoepelende orgaan dat verantwoordelijk is voor het landelijke publieke aanbod. Dat aanbod bestaat uit drie televisiezenders (NPO 1, 2 en 3), vijf landelijke radiozenders en een steeds groter digitaal domein met websites, apps en on demand-platforms.

Belangrijk om te benadrukken: de NPO maakt zelf geen programma’s. Dat doen de omroepverenigingen. Op dit moment zijn dat zes omroepen, aangevuld met de NOS en de NTR. Samen moeten zij zorgen voor een “pluriform aanbod”, oftewel: programma’s voor iedereen, van nieuws en sport tot cultuur, amusement en educatie. De NPO bepaalt de netindeling, verdeelt budgetten en zendtijd en bewaakt de samenhang. In theorie althans.

Een laag daaronder vinden we de regionale omroepen, verenigd in de RPO. Sinds 2016 is de Regionale Publieke Omroep het samenwerkingsverband van de dertien regionale omroepen. Elke provincie heeft precies één regionale omroep, met een wettelijke zendmachtiging. Meer mag er niet zijn. Deze omroepen maken televisie-, radio- en online content die zich richt op de provincie: regionaal nieuws, sport, cultuur en achtergrondverhalen die je landelijk zelden ziet.

Dan is er nog de onderste laag: de lokale omroep. Die wordt vertegenwoordigd door de NLPO. In theorie heeft elke gemeente recht op één lokale zendgemachtigde. In de praktijk betekent dat dat Nederland momenteel zo’n 340 lokale omroepen telt. Vaak kleine organisaties, grotendeels draaiend op vrijwilligers, met beperkte middelen en een laag zendvermogen. Ze maken programma’s voor een relatief klein publiek, maar wel dicht op de lokale samenleving.

Dat lokale landschap staat overigens op het punt flink te veranderen. In het huidige beleid is vastgelegd dat het aantal lokale omroepen uiterlijk in 2028 moet worden teruggebracht naar ongeveer 80 streekomroepen. Het idee daarachter: schaalvergroting moet zorgen voor professionalisering, betere journalistiek en een stabielere organisatie. Of dat ook zo uitpakt, is nog maar de vraag.

Wat al deze lagen met elkaar gemeen hebben, is de financiering. Ze worden grotendeels betaald uit publieke middelen, via de rijksbegroting. Tegelijkertijd mogen ze ook reclame uitzenden. Daarmee begeven ze zich op dezelfde markt als commerciële omroepen. Niet alleen in de strijd om kijkers en luisteraars, maar ook om advertentiegeld op radio, televisie en online.

De verhoudingen in geld zijn daarbij opvallend. De NPO ontvangt jaarlijks ongeveer 1.009.414.721 miljoen euro aan rijksbijdrage. De regionale omroepen samen krijgen ruim 192 miljoen euro. Voor alle lokale omroepen bij elkaar blijft er iets meer dan 12 miljoen euro over. Dat verschil zie je terug in schaal, professionaliteit en zichtbaarheid.

Ondanks de structurele subsidies en de mogelijkheid om extra inkomsten uit reclame te halen, weten regionale en lokale omroepen geen grote kijk- en luisteraantallen te trekken. Het bereik blijft beperkt. Regionale omroepen komen gemiddeld niet verder dan zo’n 1 procent kijkdichtheid, terwijl lokale omroepen dagelijks vaak slechts 1 tot 5 procent van de inwoners in hun verzorgingsgebied bereiken. Tegelijkertijd scoren juist deze omroepen hoog als het gaat om waardering en vertrouwen. De NLPO heeft toegezegd een landelijk onderzoek uit te voeren onder 10.000 Nederlanders naar het bereik van lokale omroepen. Dit levert voor het eerst, volgens de NLPO, betrouwbare landelijke cijfers op.

Het bestel is dus groot, duur en complex, maar ook diep verankerd in de samenleving. De vraag is alleen of deze structuur, met drie lagen, tientallen organisaties en honderden bestuurders, nog past bij hoe media vandaag de dag worden gemaakt en geconsumeerd. Dat is precies waar het debat nu weer oplaait.

Een nieuw fundament: het BBC-model in de polder

Het huidige bouwwerk van de publieke omroep mag dan diep verankerd zijn in onze geschiedenis, de vraag is of we de fundamenten niet moeten durven vervangen door te moderniseren. Als we eerlijk kijken naar de cijfers, zien we een pijnlijk contrast: een enorme organisatie met honderden lokale en dertien regionale entiteiten, tegenover een bereik dat, zeker regionaal- en lokaal, in de marge blijft steken. Het is tijd voor een fundamentele koerswijziging, waarbij we de versnippering inruilen voor impact.

Mijn voorstel is even rigoureus als logisch: laat zowel de regionale als de lokale omroep in hun huidige vorm volledig verdwijnen. In plaats van logge organisaties met eigen directies, gebouwen en zendmachtigingen, vormen we per provincie een compact, slagvaardig productiehuis. Een kernredactie van ongeveer twintig professionals: journalisten, ervaren cameramensen, social media contentmakers en editors, die zich puur concentreren op waar het om gaat: het maken van dagelijkse nieuwsitems van hoge kwaliteit.

De kracht van de editie

Dit nieuwe model leunt op wat we het ‘BBC-model’ kunnen noemen. Stel je voor: het is zes uur ’s avonds. De kijker schakelt in voor het landelijke nieuws op NPO 1. Na het belangrijkste nationale en internationale nieuws draagt de presentator in Hilversum het stokje over aan de regio. Op dat moment schakelt de techniek, iets wat aanbieders als Ziggo en KPN moeiteloos kunnen faciliteren, en krijgt de kijker in Groningen de verhalen uit Groningen, terwijl de Limburger de beelden uit Maastricht ziet.

De dertig minuten zendtijd worden gevuld met de items die die dag door de provinciale redacties zijn aangeleverd. De exacte programmatische invulling, of daar een regionale presentator bij komt kijken of dat de NPO-presentatoren dit integraal begeleiden, is een detail voor later. Waar het om gaat, is dat de content direct naar het hoofdpodium wordt gebracht. Na dat half uur keren we terug naar de centrale studio voor de afronding van het nieuws en het weer. Hetzelfde principe passen we toe op de radio: een geëditioneerd blok op Radio 1, precies op het moment dat de luisteraar in de auto zit en wil weten wat er in zijn eigen omgeving speelt.

Impact door professionalisering

Het grote voordeel van deze opzet is de enorme efficiëntieslag. Door de versnipperde budgetten van honderden organisaties te schrappen, ontstaat er ruimte voor echte kwaliteit. De wens om de lokale journalistiek te versterken wordt hiermee eindelijk ingevuld; niet door meer kleine loketjes te openen, maar door de journalistieke slagkracht te concentreren in een team van professionals dat weet wat er in de regio speelt.

Bovendien lossen we het probleem van de onzichtbaarheid op. In het huidige bestel moet een regionale omroep hopen dat de kijker de afstandsbediening toevallig langs hun kanaal stuurt. In het nieuwe model lift de regio mee op het enorme bereik van de landelijke zenders. De kijker die al naar NPO 1 kijkt of naar Radio 1 luistert, blijft hangen voor de professioneel gemaakte items uit de eigen omgeving. Je brengt het nieuws daar waar de mensen al zijn.

Het loslaten van heilige huisjes

Natuurlijk vraagt dit om het loslaten van heilige huisjes. De lokale én de regionale omroep zoals we die nu kennen, zullen ophouden te bestaan. Dat klinkt hard, maar de realiteit is dat de impact en de journalistieke diepgang nu te vaak achterblijven bij de middelen die erin omgaan. De huidige versnippering is een rem op de kwaliteit.

Een compacte, hoogwaardige provinciale redactie die de belangrijkste lokale verhalen oppikt en naar een landelijk platform tilt, doet de lokale democratie uiteindelijk veel meer recht dan een leger aan kleine, slecht bekeken zenders. We ruilen de overhead van honderden bestuurders en talloze kantoorpanden in voor meer journalisten in de regio. Het resultaat? Een publieke omroep die niet alleen goedkoper en slagvaardiger is, maar bovenal relevanter voor de Nederlander die wil weten wat er echt speelt in zijn eigen achtertuin.

Slimmer gebruik van de ether

Toch zit er ook een technisch en strategisch plan achter dit model. Op de radio kunnen we de ‘editionering’, het lokaal schakelen, namelijk direct oplossen door de zendfrequenties slim te herverdelen. Als we het programma van NPO Radio 1 simpelweg verhuizen naar de huidige zenderparken van de regionale omroepen, is de techniek al geregeld. De luisteraar in Brabant hoort op de ‘oude’ frequentie van Omroep Brabant voortaan Radio 1, maar krijgt op de vaste tijden automatisch het nieuws uit eigen regio mee. Dit levert een enorm bijkomend voordeel op: het huidige, landelijke netwerk van Radio 1 komt volledig vrij. Dat biedt kansen waar de politiek en de markt al jaren om springen.

We kunnen NPO Radio 5, de zender die ondanks haar populariteit nog steeds geen plek in de ether heeft, eindelijk een plek op de FM geven. Of de overheid kiest voor een veiling aan commerciële partijen, wat direct een flink bedrag in de staatskas brengt. Het is een efficiëntieslag die de luisteraar dient.

De prijs van verandering

Als we praten over het hervormen van het omroepbestel, kunnen we niet om de cijfers heen. Maar laten we die cijfers niet zien als louter boekhoudkundige posten; laten we ze zien als een afspiegeling van onze prioriteiten. Op dit moment sturen we jaarlijks ruim 191 miljoen euro naar dertien regionale organisaties en nog eens 12 miljoen naar een versnipperd lokaal landschap. Dat is veel geld voor een bereik dat, zoals we zagen, vaak in de marge blijft steken.

Een besparing van formaat

De berekening is simpel én opvallend. Wanneer we dertien regionale hoofdkantoren, dertien directies en dertien HR-afdelingen vervangen door twaalf compacte, maar robuuste provinciale productiehuizen, verandert de kostenstructuur volledig. Zelfs als we kiezen voor een stevige bezetting van zo’n twintig professionals per provincie, genoeg om ziekte en verlof op te vangen en te investeren in hoogwaardige apparatuur, praten we over een fractie van de huidige uitgaven.

Waar we nu ruim 200 miljoen euro uitgeven aan de ‘onderste lagen’, hebben we in dit nieuwe model aan circa 30 miljoen euro genoeg om de journalistieke kern in de regio écht te borgen. Samen met het schrappen van de lokale subsidies en de enorme overhead die nu in het systeem verdwijnt, praten we over een structurele besparing van ruim 170 miljoen euro per jaar. Dat is geld dat direct terug kan naar de schatkist of geïnvesteerd kan worden in de kwaliteit van de programma’s zelf.

De winst in de ether

Door NPO Radio 5 de vrijgekomen plek op de FM te geven, ontsluiten we een mogelijke goudmijn die nu nog onbenut blijft. Radio 5 is mateloos populair, maar wordt door het gebrek aan etherfrequenties beperkt in haar commerciële kracht. Een landelijke FM-dekking voor deze zender zou de STER-inkomsten naar schatting met 10 tot 15 miljoen euro per jaar kunnen laten stijgen. Geld dat de publieke omroep zelf verdient, in plaats van dat het bij de belastingbetaler moet worden opgehaald.

De pijn van de sanering

Natuurlijk heeft dit plan een keerzijde die we niet mogen wegpoetsen. Het saneren van organisaties betekent onherroepelijk ook het afscheid nemen van mensen. Als we eerlijk naar de data kijken (zoals het jaarverslag van de RPO en de Monitor Lokale Publieke Omroep), zien we de enorme omvang van het huidige personeelsbestand. In de huidige opzet telt de regionale omroep (RPO) ongeveer 1.525 betaalde fte.

De lokale omroepen voegen daar nog eens bijna 500 betaalde fte aan toe. Tel daar de freelancers bij op, en je praat over ruim 2.000 professionele banen die nu door het systeem worden gefinancierd. En dan hebben we het nog niet eens over de 19.000 vrijwilligers die lokaal de gaten dichtlopen.

In mijn model blijven er landelijk zo’n 240 fte over in de provinciale productiehuizen. Dat is een bewuste keuze voor kwaliteit en continuïteit, maar het betekent nog steeds dat er ruim 1.800 professionele banen verdwijnen. Dat is een harde boodschap, maar wel een eerlijke. De vraag die we onszelf moeten stellen is: hoeveel mensen hebben we nodig om de machine draaiende te houden, en hoeveel om de journalistiek te bedrijven?

Door te kiezen voor kleine, slagvaardige teams, kiezen we voor de professional die met de poten in de modder staat, in plaats van de manager in de vergadertuin.

Waarde voor je geld

Onderaan de streep levert dit plan, inclusief de extra inkomsten van Radio 5 in de ether, een voordeel op van ruim 180 miljoen euro per jaar. Dat is ongeveer achttien procent van de totale rijksbijdrage aan de publieke omroep. Maar de echte winst zit niet alleen in de euro’s.

De winst zit in een bestel dat weer uitlegbaar is aan de burger. Want laten we eerlijk zijn: de ‘gewone Nederlander’, voor zover die al bestaat, begrijpt helemaal niets van de huidige constructie. Terwijl zij aan de keukentafel rekenen hoe ze de energierekening, de doktersrekening of fatsoenlijke kleding voor de kinderen moeten betalen, zien ze bij de (regionale) omroep geldverslindende organisaties met directeuren die via ‘geitenpaadjes’ in de wet ver boven de Balkenendenorm verdienen.

Dat blijkt pijnlijk duidelijk uit een recent onderzoek van bureau Verian in opdracht van De Telegraaf. De uitkomst is schokkend: maar liefst 71% van de Nederlanders vindt het onbegrijpelijk dat een essentieel consumentenprogramma als Kassa moet verdwijnen. Terwijl de NPO beweert dat “pijnlijke keuzes” onvermijdelijk zijn door de bezuinigingen, ziet het publiek een wereldvreemde organisatie die wél de bijl zet in kerntaken als consumentenbescherming en informatievoorziening, maar ondertussen de overvloed aan dure talkshows en eindeloos “gebabbel” aan tafels onaangeroerd laat.

Een bestel waar elke euro die we uitgeven direct zichtbaar is op de radio of op het scherm in de huiskamer, in plaats van te verdampen in bestuurlijke lagen. De overstap is van een complex en kostbaar bouwwerk naar een efficiënt netwerk dat Nederlanders overal voorziet van nieuws dat hen écht raakt.


In beeld: De scheefgroei tussen kosten en kijkers

Om de urgentie van dit plan te onderstrepen, verwijs ik graag naar onderstaande video van Nieuws van de Dag. In deze video benoemt opiniemaker Annemarie van Gaal de kern van het probleem: ondanks afnemende kijkcijfers bij regionale omroepen blijven aanzienlijke financiële middelen vloeien naar een systeem dat wordt behouden door complexe wettelijke regelingen en toenemende directiesalarissen.

Deze video illustreert dat mijn voorstel niet voortkomt uit armoedebesparing, maar uit een noodzakelijke herstructurering. Het is namelijk inefficiënt wanneer een sector 16% van het totale mediabudget gebruikt voor slechts 1% marktaandeel, wat duidt op een verstoord systeem. In de video benadrukt Van Gaal het belang van regionale betrokkenheid bij de nieuwe plannen van minister Bruins, wat aansluit bij de ‘productiehuis-gedachte’ die in dit artikel verder wordt uitgewerkt. Het is van belang om te stoppen met investeren in leegstaande televisiestudio’s en beschikbare middelen effectief aan te wenden binnen de journalistiek.

(Bekijk de video voor extra context over de salarisexcessen en de dalende kijkcijfers in de regio)


Lawrence Vasseur


*De financiële berekeningen in dit artikel zijn gebaseerd op een modelmatige schatting (uitgaande van de bezetting van 20 fte per provincie) en de meest recente jaarverslagen van de RPO en de NLPO. Hoewel deze cijfers niet tot op de laatste cent zijn uitgerekend, de werkelijke kosten hangen immers af van de uiteindelijke politieke en technische invulling, geven ze een realistisch beeld van de schaalgrootte en de besparingspotentie van dit plan.

1 Comment

  1. Jouw plan is interessant met name tbv de regionale omroepen. Wat de bbc met edities doet is niet uniek. France 3 in Frankrijk, Rai3 (TGR) en RAI Radio 1 in Italië, RTVE in Spanje etc doen het allemaal: regionale vensters. Er is een pilot geweest heel kort enkele jaren gelden daarna niet voortgezet. Jouw plan laat het landelijke stelsel overeind met niet 6 maar nog steeds 13 omroeporganisaties en bureaucratie om hopeloos aan ‘externe’ ipv interne pluriformiteit te denken. En gaat niet in op hoe en wie dan de regionale invulling moet doen. NPO Radio5 scoort niet goed in commercieel relevante doelgroepen daar ga je aan voorbij. En lokale omroepen regionaliseren op provincie niveau terwijl ze vaak wel een lokale functie hebben?

    Allemaal punten om over na te denken?

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*