
Een rechter kan bepalen waar bescherming van nieuws begint. Wat een technologiebedrijf daarvoor wil betalen, is een andere vraag. Dat onderscheid verdient aandacht nu uitgevers en omroepen hun positie tegenover AI-bedrijven bepalen.
Aanleiding is het advies van advocaat-generaal Maciej Szpunar van 3 november aan het Europese Hof van Justitie. In de zaak van het Hongaarse ‘Like Company tegen Google’ onderzoekt hij wanneer Gemini de rechten van nieuwsuitgevers kan schenden. Het omzeilen van effectieve toegangsbeperkingen en het herkenbaar overnemen van beschermde formuleringen kunnen daarbij relevant zijn. Nieuwsfeiten zelf vallen buiten die bescherming. Het Hof moet nog oordelen.
Wie daarin vooral een overwinning voor uitgevers leest, mist een deel van het advies. In zijn conclusie ziet Szpunar in deze concrete zaak juist aanwijzingen tegen aansprakelijkheid van Google. Ook adviseert hij de vragen over modeltraining buiten behandeling te laten, omdat die voor deze zaak hypothetisch zijn. Zijn aanvullende beschouwingen daarover vormen geen algemene vrijbrief.
Voor mediabestuurders blijft vervolgens de commerciële vraag liggen: hoe afhankelijk zijn deze bedrijven eigenlijk van nieuws?
Bij traditionele zoekadvertenties lijkt die afhankelijkheid beperkt. Google verwijderde in een experiment uit 2025 Europese nieuwsinhoud voor één procent van de gebruikers in acht EU-landen. Volgens het bedrijf daalde het gebruik met 0,8 procent, zonder statistisch meetbaar effect op de advertentieomzet.
Dat is onderzoek van een belanghebbende partij. Het meet bovendien een tijdelijke ingreep, geen wereld waarin journalistiek structureel ontbreekt. Toch verdient de uitkomst meer aandacht dan zij in de mediasector soms krijgt. Veel nieuwsgebruik kan samengaan met weinig extra advertentieopbrengst. Maatschappelijke betekenis vertaalt zich niet vanzelf in commerciële afhankelijkheid.
Voor AI ligt het ingewikkelder. Een taalmodel trainen met een historisch archief is een andere toepassing als een assistent betrouwbaar laten vertellen wat vanochtend is gebeurd. Bij dat laatste tellen snelheid, oorspronkelijke verslaggeving, correcties en herleidbare bronnen. Daar kan een uitgever iets leveren wat moeilijker vervangbaar is dan een verzameling oude artikelen.
Meta laat dat verschil zien. Het bedrijf beëindigde de beschikbaarheid van nieuws op Facebook en Instagram in Canada na nieuwe wetgeving. Maar voor ‘Meta AI’ kondigde het eind 2025 juist nieuwssamenwerkingen aan, onder meer met CNN, Le Monde en USA TODAY, naast Reuters. Nieuws kan voor een sociaal platform vervangbaar zijn en voor een antwoorddienst een nuttig kwaliteitsverschil maken.
Ook andere overeenkomsten wijzen op selectieve waarde. OpenAI koopt toegang tot actuele en historische journalistiek van News Corp. Amazon licenseert materiaal van The New York Times, inclusief Cooking en The Athletic, voor training en toepassingen zoals Alexa. Zo’n pakket omvat veel meer dan algemeen nieuws. Anthropic biedt webzoekfuncties voor actuele informatie, maar daarmee is nog onbekend welk deel van zijn inkomsten van journalistiek afhangt.
Deze afspraken bewijzen betalingsbereidheid. Ze bewijzen niet dat nieuws een groot deel van de totale AI-economie draagt. De koper kan waarde hechten aan een beperkt aantal betrouwbare leveranciers, terwijl de meeste individuele titels vervangbaar blijven.
Daar begint ook de complexiteit van licensering. Wie mag toestemming geven voor archiefgebruik, transcripties, foto’s, persbureaumateriaal of bijdragen van freelancers? Geldt de overeenkomst voor training, voor het ophalen van actuele informatie, voor samenvattingen, of voor doorlevering aan zakelijke klanten? Een algemeen bedrag voor ‘AI-gebruik’ kan heel verschillende rechten afdekken. Bij Polders.Media hebben we dat uitgezocht hoe complex dat nu is en welke varianten er bestaan.
Die precisie is nodig. Ze kost ook geld en tijd. Als iedere titel afzonderlijke voorwaarden stelt, kan een koper uitwijken naar een kleiner aantal leveranciers. Microsoft probeert met zijn Publisher Content Marketplace de noodzaak van talloze afzonderlijke overeenkomsten te verminderen. Het initiatief verkeerde bij de aankondiging nog in de pilotfase.
De gedachte dat nieuws commercieel beperkt belangrijk is, houdt daarmee gedeeltelijk stand. Vooral bij algemeen, breed beschikbaar nieuws lijkt terughoudendheid gerechtvaardigd over de onderhandelingsmacht van afzonderlijke aanbieders. Exclusieve informatie, lokale kennis en betrouwbare actualiteit kunnen een andere positie geven.
Voor publieke omroepen komt daar een vraag bij. Als journalistiek publiek wordt gefinancierd en toegankelijk moet zijn, hoe organiseer je dan betaald gebruik door commerciële AI-diensten?
Aan de onderhandelingstafel zal uiteindelijk concreet moeten worden welke AI antwoorden zonder die redactie slechter, later of helemaal niet tot stand komen. Bij sommige redacties ligt dat bewijs in de dagelijkse productie. Bij andere zal eerst zichtbaar moeten worden waar de oorspronkelijke informatie eindigt en het doorvertellen begint. En het zal de vraag aan de AI-partijen zijn of ze voor de (beperkte?) commerciele waarde veel over hebben, zowel in geld als in onderhandelingstijd. Of dat ze een paar deals met grote partijen maken en de rest de rest laten. Daarmee ontstaat het grote risico dat de Nederlandse burger veel minder nieuws toch zich zal kunnen nemen en dat er in de AI-tijd eerder minder dan meer informatie beschikbaar komt voor de democratie. Het zou verstandig zijn als de partijen aan de onderhandelingstafel de burger centraal zouden stellen.
