
Er zijn televisiebeelden die zo diep in het collectieve geheugen zijn terechtgekomen dat we bijna vergeten hoe revolutionair ze ooit waren. In november 1962 zat Mies Bouwman bijna een etmaal achter een tafel in de RAI om geld in te zamelen voor een plan dat voor die tijd behoorlijk vooruitstrevend was: een woonomgeving waarin mensen met een lichamelijke beperking zo zelfstandig mogelijk konden leven. Open Het Dorp bracht uiteindelijk ongeveer 22 miljoen gulden bijeen en vier jaar later konden de eerste bewoners hun intrek nemen in wat niet alleen een nieuwe woonvoorziening was, maar ook de tastbare uitkomst van een bijzonder moment waarop Nederland via radio en televisie gezamenlijk iets tot stand bracht.
Dat laatste maakt die uitzending ruim zestig jaar later misschien nog interessanter dan het enorme bedrag dat werd opgehaald. Mies Bouwman kreeg winkeliers, bedrijven, artiesten, omroepen en vooral heel veel gewone Nederlanders zover dat ze zich onderdeel voelden van hetzelfde project. Mensen brachten geld in luciferdoosjes naar inzamelpunten en volgden thuis hoe het totaal steeds verder opliep, waardoor televisie en radio even meer waren dan media waarmee naar de samenleving werd gekeken. Ze werden een publieke infrastructuur waarmee die samenleving zichzelf kon organiseren en waarin de verschillen die er natuurlijk ook toen waren tijdelijk minder belangrijk werden dan het gezamenlijke doel.
Het zou te gemakkelijk zijn om daaruit te concluderen dat we terug moeten naar de saamhorigheid van 1962, want zowel Nederland als Het Dorp zelf is sindsdien fundamenteel veranderd. Het oorspronkelijke concept was vooruitstrevend omdat mensen met een beperking er veel zelfstandiger konden wonen dan destijds gebruikelijk was, maar zestig jaar later zijn niet alleen de gebouwen verouderd, ook onze opvattingen over zorg, autonomie en inclusie zijn veranderd. Daarom wordt Het Dorp opnieuw ontwikkeld, met nieuwe woonzorgvoorzieningen, gewone woningen en gedeelde voorzieningen, waarbij technologie bewoners meer regie moet geven en het gebied veel sterker wordt verbonden met de omliggende wijken. Het bijzondere is daarmee niet dat het ideaal van 1962 wordt geconserveerd, maar juist dat men probeert dat ideaal serieus te nemen door de vorm ervan aan te passen aan deze tijd.
Precies daarin zit een interessante analogie met de publieke omroep en met de opdracht waarvoor Jet de Ranitz als voorzitter van de NPO staat. Ook de publieke omroep hoeft zijn maatschappelijke betekenis niet te bewijzen door het Hilversum van vroeger zo lang mogelijk overeind te houden. De lineaire televisieavond, afzonderlijke omroepverenigingen en zelfs de vertrouwde grenzen tussen televisie, radio, streaming en sociale media zijn uiteindelijk vormen die ooit zijn bedacht om een publiek doel te dienen. Dat doel ligt dieper: betrouwbare informatie beschikbaar maken, Nederlandse cultuur zichtbaar houden, verschillende delen van de samenleving met elkaar in aanraking brengen en een publieke ruimte onderhouden waarin mensen niet uitsluitend worden benaderd als consument, doelgroep, kiezer of politieke tegenstander.
De Ranitz heeft zelf gezegd dat een sterke publieke omroep betrouwbare journalistiek en verbinding moet bieden en zowel jongere als oudere Nederlanders moet bereiken, lineair, online en on demand. Tegelijkertijd staat zij voor een forse reorganisatie en een bestel dat anders en efficiënter zal moeten samenwerken. Die bestuurlijke discussie is onvermijdelijk, maar de interessantere vraag is uiteindelijk niet hoeveel omroepen, bestuurders, netten of programma’s er overblijven. De werkelijke vraag is wat Nederland ervoor terugkrijgt en of een vernieuwde publieke omroep opnieuw kan laten zien wat misschien wel het mooiste aan de polder is: niet dat we het voortdurend met elkaar eens zijn, maar dat we instituties hebben gebouwd waarin we ondanks onze verschillen iets gemeenschappelijks kunnen organiseren.
Dat vraagt nadrukkelijk niet om een publieke omroep die conflicten gladstrijkt of iedere tegenstelling oplost met een vriendelijk gesprek aan een ronde tafel. Goede journalistiek moet macht controleren, misstanden blootleggen en laten zien wanneer belangen werkelijk botsen. Een samenleving zonder conflict bestaat niet en een journalistiek die vooral wil verbinden kan al snel behaaglijk worden. Er is echter wel een verschil tussen conflict zichtbaar maken en conflict als permanente ordening van de werkelijkheid gebruiken, waarbij ieder onderwerp onmiddellijk wordt teruggebracht tot voor of tegen, links of rechts, winnaar of verliezer. Juist een publieke omroep zou de ruimte kunnen bieden waarin verschillen niet verdwijnen, maar begrijpelijker worden doordat context, kennis en verschillende ervaringen naast elkaar kunnen bestaan.
Het Eurovisie Songfestival biedt daarvoor momenteel een onverwacht interessante testcase. Het festival ontstond in de wereld van Europese publieke omroepen en werd mede een jaarlijks ritueel waarin landen die politiek, cultureel en historisch sterk van elkaar verschillen gedurende een avond hetzelfde podium delen. Inmiddels is ook dat podium onderdeel geworden van politieke en maatschappelijke conflicten. AVROTROS besloot niet deel te nemen aan het Songfestival van 2026 en maakte later bekend ook in 2027 niet als verantwoordelijke omroep terug te keren, onder meer vanwege het humanitaire leed in Gaza, zorgen over persvrijheid en politieke beïnvloeding van het festival. De NPO besloot vervolgens dat Nederland in 2027 wel weer zal deelnemen, nadat de European Broadcasting Union veranderingen in de regels had aangebracht. Daarmee ontstond binnen het publieke bestel precies het soort verschil waarmee ook de samenleving zelf voortdurend wordt geconfronteerd.
Het verleidelijkste format zou zijn om daar onmiddellijk een wedstrijd van te maken waarin AVROTROS of NPO gelijk moet krijgen, maar interessanter is wat het verschil blootlegt over de functie van een publieke omroep. Als zelfs binnen het bestel fundamenteel verschillend kan worden gedacht over deelname aan een evenement dat ooit juist symbool stond voor Europese culturele ontmoeting, dan hoeft dat niet onmiddellijk een bestuurlijk probleem te zijn. Het kan ook laten zien waarom een publieke ruimte nodig is waarin zulke verschillen zichtbaar mogen bestaan, zolang helder blijft hoe afwegingen worden gemaakt en het gesprek niet eindigt bij de constatering dat partijen tegenover elkaar staan.
Daar ligt misschien de verbinding tussen Mies Bouwman en Jet de Ranitz. Niet omdat De Ranitz de nieuwe Mies zou moeten worden en al helemaal niet omdat Nederland terug zou moeten verlangen naar een televisielandschap waarin vrijwel het hele land naar hetzelfde programma keek. Die wereld bestaat niet meer. De overeenkomst zit in een veel fundamentelere opdracht: laten zien dat media niet alleen hoeven te registreren waarin mensen van elkaar verschillen, maar ook een omgeving kunnen bouwen waarin zij elkaar ondanks die verschillen blijven tegenkomen.
Mies Bouwman liet in 1962 zien wat er kon gebeuren wanneer een publiek medium de polder niet als verzameling tegenstellingen benaderde, maar als een gemeenschap die in staat was iets gezamenlijk te bouwen. Ruim zestig jaar later wordt Het Dorp zelf vernieuwd omdat dezelfde publieke bedoeling inmiddels andere gebouwen, andere technologie en andere vormen van samenleven vraagt.
Voor de publieke omroep geldt eigenlijk hetzelfde. De vorm mag veranderen, misschien zelfs veel ingrijpender dan Hilversum prettig vindt, zolang duidelijk blijft welk publiek ideaal ermee wordt gediend. De interessantste vraag voor Jet de Ranitz is daarom niet hoe zij de publieke omroep van vroeger kan behouden, maar hoe zij opnieuw een plek kan bouwen waarin Nederland iets meer van zichzelf herkent dan alleen de verschillen die ons uit elkaar trekken.
