
De discussie over het Eurovisie Songfestival lijkt op het eerste gezicht vooral te gaan over één televisieprogramma, maar laat goed zien hoe de pluriformiteit van het bestel onder druk staat. Wie is binnen de publieke omroep eigenlijk verantwoordelijk voor pluriformiteit wanneer individuele omroepen allemaal hun eigen redactionele en programmatische keuzes mogen maken?
Deze kwestie is nu extra relevant en actueel geworden nu het kabinet het publieke bestel ingrijpend wil hervormen. Elf omroepverenigingen moeten opgaan in vier omroephuizen en NOS en NTR worden samengevoegd. Die vier omroephuizen en de NOS worden straks gezamenlijk verantwoordelijk voor een aanbod dat de hele samenleving moet bedienen, terwijl nieuwe perspectieven en geluiden binnen die huizen een plaats moeten krijgen.
Dit lijkt overzichtelijk en logische maar heeft ook een risico, want wanneer iedereen gezamenlijk verantwoordelijk is voor pluriformiteit, kan uiteindelijk niemand er individueel op worden aangesproken. Nadat AVROTROS stopte als verantwoordelijke omroep, nam geen andere publieke omroep de verantwoordelijkheid voor de artiestenselectie en de Nederlandse inzending over. Ook NOS en NTR doen dat niet. Daarom heeft de NPO de deelname anders georganiseerd: een ‘onafhankelijk expertteam’ wordt verantwoordelijk voor de selectie en begeleiding van de Nederlandse act. De NOS verzorgt in 2027 wel de voorbeschouwingen, de verslaggeving van de halve finales en finale en het commentaar.
Dat is meer dan een organisatorisch detail, want juist hier wordt zichtbaar wat er kan gebeuren wanneer omroepen vanuit hun eigen identiteit of afwegingen allemaal afzonderlijk tot een ‘nee’ komen. De ene omroep vindt een onderwerp niet bij het profiel passen, een andere heeft andere prioriteiten en een derde vindt de kosten of verantwoordelijkheid te groot. Geen van die keuzes hoeft op zichzelf problematisch te zijn, maar gezamenlijk kunnen ze wel leiden tot gaten in het publieke aanbod.
Minister Rianne Letschert heeft eerder uitgelegd dat niet iedere afzonderlijke omroep neutraal of pluriform hoeft te zijn. Dat past ook bij de opzet van het bestel, waarin omroepen juist verschillende stromingen, achtergronden en opvattingen vertegenwoordigen. De pluriformiteit moet daarom niet per omroep worden beoordeeld, maar op het niveau van de publieke omroep als geheel. Maar wat als die afzonderlijk legitieme keuzes van omroepen samen juist tot minder pluriformiteit leiden?
De Mediawet verlangt dat het publieke media-aanbod evenwichtig en pluriform is en verschillende overtuigingen, opvattingen en interesses in de samenleving weerspiegelt. Ook kleinere doelgroepen moeten daarin zichtbaar blijven. De Kamer heeft bovendien expliciet gevraagd hoe die externe pluriformiteit in een nieuw bestel kan worden gewaarborgd. Het antwoord van het kabinet is tot nu toe vooral organisatorisch: de toekomstige omroephuizen krijgen gezamenlijk de verantwoordelijkheid om verschillende geluiden en nieuwe perspectieven binnen hun organisaties ruimte te geven. Het is af te vragen of dit ook echt gaat lukken in de praktijk. Pluriformiteit wordt dan vooral een opdracht aan grote organisaties en minder een institutioneel verankerd onderdeel van het bestel.
Opmerkelijk genoeg kende Nederland vroeger een constructie die juist voor dit probleem was ontworpen. Artikel 2.42 van de Mediawet bood kerkgenootschappen en levensbeschouwelijke organisaties eigen ruimte binnen de publieke omroep. Daardoor konden onder meer RKK en de Joodse Omroep bestaan zonder volledig afhankelijk te zijn van de programmatische voorkeuren van een reguliere omroepvereniging. Die zelfstandige 2.42-zendgemachtigden verdwenen per 1 januari 2016, maar het achterliggende principe verdween niet volledig (bijvoorbeeld de naam ‘Joodse Omroep’ werd daarna nog jaren gebruikt als herkenbare aanduiding.) Voor levensbeschouwelijke programmering bleef ruimte bestaan binnen bestaande omroepen. De katholieke programmering van RKK kwam terecht bij KRO-NCRV.
Dat is bestuurlijk veel interessanter dan het op het eerste gezicht lijkt, omdat hier een principe achter zit dat in de huidige discussie opnieuw relevant kan worden. Sommige onderdelen van pluriformiteit worden blijkbaar belangrijk genoeg gevonden om niet volledig afhankelijk te maken van de vraag of een omroepbestuur er op enig moment programmatische belangstelling voor heeft. Daarvoor wordt ruimte gereserveerd en worden afspraken gemaakt.
Dat betekent niet dat Nederland de oude verzuiling moet terughalen of opnieuw tientallen kleine zendgemachtigden moet oprichten. De vraag is eerder of het achterliggende principe van de vroegere 2.42-constructie bruikbaar kan zijn voor het toekomstige bestel, dat de pluriformiteit weet te waarborgen.
Dit kan bijvoorbeeld door onafhankelijk ‘geoormerkte’ programmatische domeinen, redacties of opdrachten binnen de toekomstige omroephuizen. Die zouden een eigen budget, een duidelijke publieke opdracht en voldoende redactionele bescherming kunnen krijgen, zonder dat Den Haag inhoudelijk bepaalt wat er moet worden gemaakt en zonder dat het voortbestaan ervan volledig afhangt van de prioriteiten van één omroepdirectie.
Alleen is dan wel weer de vraag wie bepaalt welke maatschappelijke, culturele of levensbeschouwelijke perspectieven extra bescherming verdienen. En hoe voorkom je dat iedere belangengroep aanspraak gaat maken op een eigen budget of eigen zendtijd? En moeten dan weer andere partijen, zoals het Commissariaat, NPO Ombudsman, De Raad van Cultuur of Den Haag bepalen wanneer het bestaande aanbod voldoende of onvoldoende pluriform is?
De alternatieven brengen ook weer bezwaren en risico’s met zich mee en het bestel lijkt er niet eenvoudiger op te worden. De huidige oplossing kent eveneens een duidelijk risico. Het publieke bestel gaat van elf omroepen naar vier grote huizen, terwijl juist die kleinere groep organisaties vervolgens een nog bredere maatschappelijke pluriformiteit moet vertegenwoordigen. Daardoor wordt pluriformiteit minder zichtbaar in de structuur zelf en steeds meer afhankelijk van interne keuzes binnen grote organisaties.
Dat kan goed gaan, maar het kan er ook toe leiden dat vier brede omroephuizen uiteindelijk allemaal ongeveer hetzelfde maatschappelijke midden en onderwerpen proberen te bedienen, terwijl geluiden aan de randen of van kleinere gemeenschappen minder vanzelfsprekend een plaats krijgen.
Het Songfestival laat nu al zien wat er gebeurt zodra een onderwerp politiek, cultureel of maatschappelijk gevoelig wordt en individuele omroepen allemaal vanuit hun eigen autonomie een verdedigbare keuze maken. Het bestel als geheel moet daarna nog steeds functioneren en ervoor zorgen dat belangrijke onderdelen van het publieke aanbod niet tussen wal en schip vallen.
Voor gevallen als het Songfestival of een deelname van een EK of WK in een dubieus land kan telkens een pragmatische oplossing worden gevonden, maar voor pluriformiteit als geheel is dat onvoldoende. Wanneer de minister aangeeft dat pluriformiteit een van de fundamenten van de publieke omroep is, dan verdient die pluriformiteit waarschijnlijk meer dan alleen de afspraak dat vier grote omroephuizen er gezamenlijk goed op zullen letten.
Uiteraard hoeven oude mini-omroepen zoals de Joodse Omroep, IKON en RKK daarvoor niet letterlijk terug te keren, maar het principe achter die constructies verdient wel opnieuw aandacht in een tijd waar er vragen zijn hoe de pluriformiteit gewaarborgd blijft.
