
Wie de ontwikkeling van de journalistiek de afgelopen jaren volgt, kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat de sector steeds meer tijd besteedt aan het vastleggen van haar eigen normen. Vrijwel iedere redactie beschikt inmiddels over een redactiestatuut, daarnaast zijn er AI-richtlijnen, omroephandvesten, ethische codes, internationale journalistieke verklaringen en sinds kort een vernieuwde Leidraad van de Raad voor de Journalistiek. Dat lijkt op zichzelf een begrijpelijke ontwikkeling. In een tijd waarin het vertrouwen onder druk staat, wil de journalistiek laten zien dat zij zorgvuldig werkt, onafhankelijk is en haar verantwoordelijkheid serieus neemt. Wie de nieuwe Leidraad leest, ziet ook dat die ambitie oprecht is. Waarheidsgetrouwheid, verificatie, wederhoor, transparantie, onafhankelijkheid en het corrigeren van fouten vormen terecht de kern van het document. Daar valt weinig op af te dingen.
Toch roept juist die groeiende verzameling regels een ongemakkelijke vraag op. Als zoveel verschillende documenten nodig zijn om uit te leggen wat goede journalistiek is, hoe moet een burger dan nog weten waarop hij zijn vertrouwen kan baseren? Dat is geen theoretische vraag, maar raakt de kern van de positie die de journalistiek voor zichzelf opeist. Zij vervult immers een rol die voor een democratische samenleving even essentieel is als het financiële stelsel voor de economie. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat informatie zorgvuldig tot stand komt, net zoals spaarders erop vertrouwen dat hun bank solide is. Alleen organiseert de journalistiek dat vertrouwen fundamenteel anders.
Bij een bank hoeft niemand zelf uit te zoeken welke interne gedragscode geldt of welke interpretatie de directie geeft aan prudent risicobeheer. Daarvoor bestaan publieke normen, onafhankelijk toezicht en een helder systeem van verantwoording. Niet omdat bankiers per definitie onbetrouwbaar zouden zijn, maar omdat het vertrouwen van burgers een publiek belang is. In de journalistiek gebeurt precies het omgekeerde. Iedere redactie kent haar eigen statuut, iedere organisatie maakt haar eigen afwegingen en daarnaast bestaan de Leidraad, internationale handvesten, tal van aanvullende gedragscodes. Voor professionals binnen hun eigen individuele organisatie vormen die een wellicht waardevol kompas, maar voor burgers ontstaat juist een steeds onoverzichtelijker landschap waarin nauwelijks nog valt te achterhalen welke norm eigenlijk geldt. (Overigens zijn sommige statuten wel erg oud, zoals dat van de NOS uit 2012)
Dat is des te opmerkelijker omdat de Leidraad zelf begint met een principiële keuze. De Raad voor de Journalistiek noemt zelfregulering nadrukkelijk de beste manier om journalistieke kwaliteit te waarborgen. Dat uitgangspunt is historisch wellicht te begrijpen. De vrijheid van de pers vraagt immers om grote terughoudendheid van de overheid. Maar juist daar ontstaat tegenwoordig een fundamentele spanning. De journalistiek vraagt van burgers een groot vertrouwen, terwijl de normen waarop dat vertrouwen is gebaseerd uiteindelijk door de beroepsgroep zelf worden opgesteld, aangepast, geïnterpreteerd en beoordeeld. Dat is niet zozeer een probleem van de Leidraad, maar van het stelsel als geheel.
Die spanning blijft niet beperkt tot de beroepsgroep zelf, maar schuift onvermijdelijk door naar de toezichthouder. De discussie rond Ongehoord Nederland maakt zichtbaar hoe ingewikkeld die positie inmiddels is geworden. Van het Commissariaat voor de Media wordt verwacht dat het toeziet op journalistieke onafhankelijkheid en kwaliteit, terwijl de sector tegelijkertijd benadrukt dat de invulling van die kwaliteit in belangrijke mate onderwerp is van zelfregulering. De toezichthouder moet daardoor oordelen over normen die hij niet zelf vaststelt en die bovendien per organisatie verschillend kunnen worden uitgelegd. Dat is geen verwijt aan het Commissariaat, maar wel een constatering dat het huidige stelsel de toezichthouder bijna dwingt voortdurend op de grens tussen publieke verantwoordelijkheid en private normstelling te balanceren.
Misschien was dat jarenlang werkbaar. Het medialandschap was overzichtelijk, professionele redacties bepaalden grotendeels de nieuwsvoorziening en burgers herkenden vanzelf de instituties waarop zij hun vertrouwen konden baseren. Kunstmatige intelligentie verandert die uitgangspositie fundamenteel. Niet omdat AI de journalistiek overneemt, maar omdat zij de hoeveelheid overtuigend ogende informatie explosief laat toenemen en daarmee de vraag naar herkenbare kwaliteitsnormen groter maakt dan ooit. Juist in een omgeving waarin vrijwel iedereen geloofwaardige informatie kan produceren, wordt de vraag niet langer hoe een individuele redactie haar onafhankelijkheid organiseert, maar hoe een burger kan herkennen waarop hij zijn vertrouwen redelijkerwijs mag baseren.
Misschien is het daarom tijd om een ongemakkelijke conclusie onder ogen te zien. De journalistiek streeft terecht naar de betrouwbaarheid die burgers ook verwachten van andere vitale maatschappelijke voorzieningen, maar blijft die betrouwbaarheid organiseren met de vrijheid en autonomie die we eerder met de kunstwereld associëren. Die combinatie heeft de sector lang gediend, maar wordt steeds moeilijker vol te houden nu informatie zelf een cruciale publieke infrastructuur is geworden. De oplossing ligt dan ook niet in nóg een redactiestatuut, nóg een gedragscode of nóg een leidraad. De echte opgave is het ontwikkelen van een publiek herkenbaar normenkader dat onafhankelijk van individuele redacties duidelijk maakt welke kwaliteitseisen burgers in een democratische samenleving mogen verwachten. En een daarbij passend toetsingskader Niet om de journalistiek minder vrij te maken, maar juist om de vrijheid van de journalistiek duurzaam te kunnen blijven verbinden aan het vertrouwen van het publiek.
