
De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft met Herover de publieke sfeer een rapport gepubliceerd dat iedereen die zich bezighoudt met journalistiek, media of democratie zou moeten lezen. Niet omdat het met spectaculaire nieuwe oplossingen komt, maar omdat het glashelder verwoordt wat steeds zichtbaarder wordt: de democratische rechtsstaat functioneert niet zonder een gezonde publieke sfeer, en juist die publieke sfeer staat onder grote druk.
De analyse is overtuigend. De Raad beschrijft hoe technologische ontwikkelingen, economische druk, platformisering en een veranderend medialandschap ertoe hebben geleid dat journalistiek haar traditionele positie in de samenleving langzaam ziet afbrokkelen. Waar journalistiek ooit vanzelfsprekend het vertrekpunt vormde voor het publieke debat, concurreren nieuwsorganisaties tegenwoordig met een vrijwel onbeperkte stroom aan informatie, opinies, influencers, AI-antwoorden en algoritmisch geselecteerde content. Dat raakt niet alleen de journalistiek zelf, maar ook de kwaliteit van het democratische gesprek.
Interessant is dat de ROB daarbij een stap zet die ik de afgelopen jaren ook steeds vaker zie terugkomen in internationale discussies. Journalistiek wordt niet langer uitsluitend gezien als een beroepsgroep of een verzameling mediabedrijven, maar als een aantal maatschappelijke functies. Het gaat om het organiseren van een constructieve confrontatie tussen verschillende perspectieven, het werken aan een gedeeld beeld van de werkelijkheid en het voortdurend reflecteren op welke onderwerpen onze aandacht verdienen. Die functies zijn essentieel, ongeacht of zij worden vervuld door een landelijke krant, een regionale omroep, een onafhankelijke maker of een nieuw digitaal platform. Daarmee verschuift de discussie van de bescherming van instituties naar de bescherming van maatschappelijke functies. Dat is een belangrijke ontwikkeling.
Toch bekroop mij tijdens het lezen ook een gevoel van onvolledigheid. Niet omdat de analyse onjuist is, maar omdat zij stopt op het moment dat het eigenlijk pas interessant wordt.
Vrijwel het gehele rapport kijkt naar de wereld vanuit de journalistiek. De centrale vraag luidt steeds hoe journalistieke functies behouden kunnen blijven. Dat is begrijpelijk, maar volgens mij is het niet langer voldoende. De fundamentele verandering die AI veroorzaakt, is immers niet alleen dat journalistiek onder druk komt te staan. De veel grotere verandering is dat kunstmatige intelligentie steeds vaker de interface wordt tussen burger en informatie.
Steeds minder mensen beginnen hun zoektocht bij een krant of een omroep. Zij beginnen bij een AI-systeem dat informatie verzamelt, samenvat, interpreteert en presenteert. Daarmee verschuift ook de democratische vraag. Niet alleen: hoe beschermen we de journalistiek? Maar vooral: welke informatieomgeving mag een burger in een democratische samenleving verwachten wanneer AI de primaire toegangspoort tot kennis wordt?
Dat is precies de vraag waar ik afgelopen jaar aan heb gewerkt. Niet vanuit de journalistiek als vertrekpunt, maar vanuit de burger. Welke informatiecapaciteiten zijn noodzakelijk om goed te kunnen functioneren in een democratie? Hoe zorgen we ervoor dat AI niet alleen antwoorden geeft, maar burgers helpt om verschillende perspectieven te begrijpen, bronnen te controleren, context toe te voegen en onzekerheden zichtbaar te maken? Anders gezegd: hoe ontwerpen we niet alleen betere journalistiek, maar een betere informatie-infrastructuur?
Opvallend genoeg bevat het ROB-rapport vrijwel alle bouwstenen daarvoor. Het benadrukt het belang van verificatie, van verschillende perspectieven, van reflectie en van een gedeeld beeld van de werkelijkheid. Waar het rapport echter nauwelijks op ingaat, is de volgende stap: synthese. Juist in een wereld waarin burgers dagelijks worden overspoeld met informatie, ligt de grootste democratische opgave niet alleen in het produceren van betrouwbare journalistiek, maar ook in het organiseren van begrip. Niet iedereen heeft behoefte aan nóg meer artikelen. Veel mensen zoeken vooral hulp om verbanden te zien, verschillen te begrijpen en een afgewogen oordeel te kunnen vormen.
Daar ligt volgens mij de volgende fase van de journalistiek. Niet als leverancier van losse verhalen, maar als onmisbare producent van betrouwbare bouwstenen waarop nieuwe vormen van publieke intelligentie kunnen worden gebouwd. Originaliteit, verificatie en context worden daarmee niet minder belangrijk, maar juist waardevoller. Zonder hoogwaardige journalistiek valt er immers niets verantwoord samen te vatten, uit te leggen of te contextualiseren.
Het rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur eindigt met een oproep om de publieke sfeer te heroveren. Dat is een oproep die ik volledig onderschrijf. Tegelijkertijd geloof ik dat we daarvoor niet alleen moeten investeren in de journalistiek zoals we die kennen, maar ook moeten nadenken over de democratische informatiearchitectuur van de toekomst. De publieke sfeer van morgen zal niet uitsluitend worden gevormd door redacties of sociale media, maar ook door AI-systemen die bepalen welke informatie burgers zien, begrijpen en uiteindelijk vertrouwen.
Misschien is dat wel de belangrijkste vraag die het volgende rapport zou moeten beantwoorden: niet alleen hoe we de journalistiek beschermen, maar hoe we ervoor zorgen dat iedere burger ook in het AI-tijdperk het democratische recht behoudt om de wereld werkelijk te kunnen begrijpen.
