
Televisie is allang niet meer het enige venster op de wereld. Toch gedraagt de televisiewereld zich soms nog alsof dat wel zo is. Natuurlijk, televisie is nog altijd een massamedium. Miljoenen Nederlanders kijken dagelijks naar programma’s van NPO, RTL en Talpa. En ondanks de komst van tientallen extra zenders (waaronder FAST-kanalen), streamingdiensten en on-demandplatforms kan televisie op belangrijke momenten nog steeds enorme groepen mensen tegelijkertijd bereiken, maar buiten dat traditionele televisielandschap is inmiddels een compleet nieuw medialandschap ontstaan. En juist daar lijkt Hilversum nog onvoldoende oog voor te hebben.
YouTube en sociale media hebben die machtspositie fundamenteel veranderd. Een camera, een goed idee en enige kennis van online distributie kunnen tegenwoordig voldoende zijn om honderdduizenden kijkers te bereiken. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand. De televisiewereld kijkt nog steeds vooral naar zichzelf.
Dat is vreemd; wanneer een televisieprogramma enkele honderdduizenden kijkers trekt, spreken we over een serieus programma. Wanneer een onafhankelijke videomaker structureel honderdduizenden mensen bereikt, wordt het bereik vaak anders gewaardeerd, terwijl de kijker dat onderscheid steeds minder maakt.
Voor een jongere is een video op YouTube niet noodzakelijk minderwaardig aan een programma op NPO 3 of RTL 5. Het zijn simpelweg twee tegels op hetzelfde scherm, die steeds vaker rechtstreeks om dezelfde kijktijd. Het medium verandert, maar onze definitie van wat ‘massa media’ is veranderd onvoldoende mee. Dat zagen we ook terug in ons journalistieke onderzoeksproject Buiten de Bubbel. Spreekbuis sprak daarvoor met uiteenlopende onafhankelijke en alternatieve mediamakers. Een van de belangrijkste conclusies was dat deze wereld helemaal geen homogene verzameling boze bloggers, opiniemakers en YouTubers is.
Een succesvolle YouTube-productie leidt niet automatisch tot belangstelling vanuit Hilversum. Makers kunnen online soms meer kijkers trekken dan programma’s op lineaire televisie, maar blijven voor traditionele media toch vooral ‘YouTubers’, ‘influencers’ of ‘content creators’. Dat zijn geen neutrale woorden. Het zijn soms ook etiketten waarmee iemand buiten de professionele mediakaste wordt gehouden. En als een newsfluencer dan wel in de massamedia wordt vermeld, dan worden zij het liefst direct geframed. ‘Dutch Travel Maniac’ Tom van den Heuvel moest meermaals benaderd worden voordat hij pas overstag ging om door Ton Verlind geïnterviewd te worden.
Er bestaat inmiddels een compleet ecosysteem van creator-journalistiek, onafhankelijke onderzoeksjournalistiek, commentaar, satire, communitymedia en internet-native nieuwsmerken. Vertrouwen ontstaat daarbij steeds vaker rond personen in plaats van uitsluitend rond traditionele mediamerken.
Dat is een veel grotere verandering dan soms wordt beseft.Ze hebt niet langer vooraf toestemming van Hilversum nodig om een groot publiek te bereiken. Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie die we uit Buiten de Bubbel kunnen trekken. Traditionele media moeten onafhankelijke en alternatieve media veel serieuzer gaan nemen. Niet door alles wat op YouTube verschijnt ineens journalistiek te noemen. Niet door iedere newsfluencer een talkshow te geven. En zeker niet door kritiekloos achter bereikcijfers aan te lopen, maar wel door nieuwsgieriger te worden naar andersdenkenden van zowel linker- als rechterzijde of wat voor zijde dan ook.
Waarom bereikt iemand honderdduizenden mensen? Waarom vertrouwen kijkers deze maker? Welke onderwerpen behandelt hij of zij die traditionele redacties laten liggen? Waarom kijkt iemand een gesprek van anderhalf uur op YouTube uit, terwijl televisiemakers ervan overtuigd zijn dat alles korter moet? Waarom lukt het sommige individuele makers om communities op te bouwen waar grote mediamerken duizenden euro’s aan marketingbudget voor nodig hebben? Dat zijn vragen waarvan traditionele media veel kunnen leren.
UvA-hoogleraar Mark Deuze wees bij zijn reflectie op Buiten de Bubbel op precies die nieuwe werkelijkheid. Volgens hem pikken nieuwe makers maatschappelijke gesprekken op die binnen de reguliere journalistiek niet altijd voldoende te horen zijn. Tegelijk combineren zij journalistieke activiteiten met vaardigheden uit de digitale cultuur: video maken, sociale media begrijpen, communities onderhouden en voortdurend met het publiek communiceren. Die toenadering moet uiteraard wel van twee kanten komen. Onafhankelijke makers kunnen niet voortdurend roepen dat traditionele journalistiek niet deugt en tegelijkertijd iedere journalistieke norm afdoen als een overblijfsel uit de oude wereld. Wie serieus genomen wil worden als nieuwsmedium, moet ook serieus omgaan met bronnen, wederhoor, transparantie, feit en mening, correcties en commerciële belangen. En bereik is geen bewijs van journalistieke kwaliteit, want een video met één miljoen views kan journalistiek waardeloos zijn. Een onderzoeksartikel met vijfduizend lezers kan maatschappelijk buitengewoon belangrijk zijn. Juist daarom ligt er ook bij alternatieve media een verantwoordelijkheid om te professionaliseren. Niet door traditionele redacties te kopiëren, maar door het beste van de klassieke journalistiek over te nemen: controleerbaarheid, onafhankelijkheid en zorgvuldigheid.
We moeten daarom af van het idee dat er twee gescheiden werelden bestaan: aan de ene kant de ‘echte media’ en aan de andere kant ‘social media’, want die werkelijkheid bestaat voor het publiek nauwelijks meer. Voor de kijker staat Nieuwsuur naast YouTube. Een talkshow concurreert met een podcast. Een documentaire van een omroep concurreert met een onafhankelijke documentairemaker. Een verslaggever van een krant kan op dezelfde smartphone worden bekeken als iemand die volledig zelfstandig werkt.
Televisie blijft een machtig massamedium, maar het is niet langer automatisch het centrum van de mediawereld. Misschien wordt het tijd dat Hilversum niet alleen probeert kijkers naar televisie te trekken, maar zelf wat vaker buiten de televisiebubbel kijkt.
