
Zodra het woord topsalaris valt in combinatie met de publieke omroep, is de verontwaardiging meestal snel georganiseerd. Krantenkoppen worden scherper, talkshowtafels voorspelbaarder en de reflex is bijna altijd dezelfde: hoe kan het dat bestuurders bij publieke organisaties goed verdienen, terwijl er tegelijkertijd wordt bezuinigd op programma’s en banen?
Het is een terugkerend ritueel. Niet alleen bij de publieke omroep, maar ook bij semi-overheidsorganisaties, zorginstellingen, woningcorporaties, cultuurfondsen en goede doelen. Steeds opnieuw ontstaat dezelfde morele verontwaardiging: publiek geld, dus matige salarissen. En media, waaronder De Telegraaf, weten dat dit onderwerp gegarandeerd schuurt. Het levert ‘klikbare’ verontwaardiging op. Een bestuurder die ruim twee ton verdient, is nu eenmaal makkelijker tot symbool te maken dan een ingewikkelde discussie over wetgeving, financieringsmodellen, fusiedruk, dalende budgetten en politieke bemoeienis.
Maar omroepverenigingen zijn geen hobbyclubs met een paar programmamakers en een ledenadministratie. Het zijn grote organisaties, vaak met honderden medewerkers, tientallen miljoenen euro’s budget, complexe producties, juridische verplichtingen, toezicht, ledenbelangen, cao’s, politieke druk, maatschappelijke verwachtingen en een continu veranderend medialandschap. Een omroepbestuurder speelt dagelijks op een ingewikkeld schaakbord van programmering, geld, reputatie, journalistieke onafhankelijkheid, omroeppolitiek, Den Haag, NPO-verhoudingen, streamingconcurrentie en interne reorganisaties. Daarvoor heb je goede bestuurders nodig. En goede bestuurders kosten geld. Dat klinkt misschien ongemakkelijk, maar het is wel de realiteit. De arbeidsmarkt maakt geen principieel onderscheid tussen publiek en privaat. Iemand die een grote publieke mediaorganisatie kan leiden, kan vaak ook terecht bij commerciële mediabedrijven, culturele instellingen, fondsen, adviesorganisaties of andere maatschappelijke organisaties. Als je van publieke bestuurders dezelfde kwaliteit en verantwoordelijkheid verwacht als in de commerciële wereld, kun je niet doen alsof hun beloning volledig losstaat van de arbeidsmarkt.
Sterker nog: het besturen van een publieke omroep is in sommige opzichten waarschijnlijk ingewikkelder dan het leiden van een commerciële organisatie. In de commerciële wereld is de opdracht vaak helder: groei, winst, marktaandeel, aandeelhouderswaarde. Bij de publieke omroep liggen de doelen veel diffuser. Je moet bereik halen, maar niet alleen populaire programma’s maken. Je moet vernieuwen, maar ook publieke waarden bewaken. Je moet onafhankelijk zijn, maar wel functioneren binnen een politiek systeem dat voortdurend aan je stoelpoten zaagt. Je moet bezuinigen, maar tegelijk pluriformiteit, journalistiek, cultuur, educatie en maatschappelijke relevantie overeind houden. Dat is geen eenvoudige managementklus. En ook geen klusje voor een manager in de herfst van carriere, die dit even erbij doet of idealisten.
Natuurlijk schuurt het. En dat mag ook benoemd worden. Als omroeppersoneel door bezuinigingen zijn baan kwijtraakt, terwijl bestuurders hun salaris behouden of zien stijgen binnen de wettelijke ruimte, dan is dat moeilijk uit te leggen. Zeker voor redacteuren, producers, technici, makers en ondersteunende medewerkers die jarenlang met hart en ziel voor programma’s hebben gewerkt. Een loonoffer van bestuurders zou in zo’n situatie symbolisch krachtig kunnen zijn. Niet omdat het financieel de bezuiniging oplost, maar omdat het laat zien dat de pijn niet alleen lager in de organisatie wordt gevoeld.
Een directiesalaris verlagen levert zelden de miljoenen op die nodig zijn om programma’s te redden of tientallen arbeidsplaatsen te behouden. Het is begrijpelijk dat vakbonden pleiten voor solidariteit aan de top, maar het idee dat de problemen van de publieke omroep worden veroorzaakt door een handvol bestuurderssalarissen is simpelweg te gemakkelijk. De echte discussie zou moeten gaan over de financiering van het publieke bestel, de versnippering van omroepen, de bestuurlijke inrichting, de verhouding tussen NPO en omroepverenigingen, de politieke druk en de vraag wat Nederland eigenlijk nog over heeft voor onafhankelijke publieke media. Die discussie is veel taaier.
Er zit bovendien een gevaarlijke naïviteit in het idee dat publieke organisaties vooral goedkoop bestuurd moeten worden. Slecht bestuur is uiteindelijk veel duurder dan goed bestuur. Een verkeerde fusie, een mislukte reorganisatie, een ontspoord programma, juridische conflicten, imagoschade, interne onrust of strategische stilstand kunnen vele malen meer kosten dan het verschil tussen een matig en een goed bestuurderssalaris. Wie topkwaliteit wil, moet accepteren dat daar een prijskaartje aan hangt.
Dat betekent niet dat alles maar moet kunnen. Transparantie is terecht. De WNT-norm is terecht. Kritische vragen zijn terecht. En ja, bestuurders van publieke organisaties moeten zich extra bewust zijn van de maatschappelijke gevoeligheid rond hun beloning. Zeker in tijden van ontslagen en bezuinigingen. Maar het debat zou eerlijker worden als we niet doen alsof elk hoog salaris automatisch bewijs is van zelfverrijking.
De publieke omroep heeft geen goedkope bestuurders nodig. De publieke omroep heeft goede bestuurders nodig. Bestuurders die durven hervormen, ingewikkelde keuzes kunnen maken, weerstand kunnen dragen en tegelijkertijd de publieke waarde van media begrijpen. De echte vraag is dus niet of een omroepbestuurder veel verdient, maar krijgen we voor dat geld bestuurders die de publieke omroep beter, sterker en toekomstbestendiger maken?
