
Het nieuwste modewoord in de discussie over Big Tech is soevereiniteit. De gedachte dat Europa zijn digitale toekomst zoveel mogelijk op eigen technologie, infrastructuur en platforms zou moeten bouwen, wint zichtbaar terrein. Daarachter ligt een groeiende zorg over afhankelijkheid. Niet alleen van Amerikaanse technologiebedrijven, maar ook van politieke besluiten waar Europa uiteindelijk weinig invloed op heeft. In het publieke debat wordt die zorg soms vertaald naar vergaande scenario’s waarin een Amerikaanse president toegang zou kunnen krijgen tot Europese gegevens of digitale diensten onder druk zou kunnen zetten. Of dergelijke risico’s zich daadwerkelijk zo direct voordoen, is een andere discussie. Belangrijker is dat de vraag inmiddels niet langer uitsluitend technisch van aard is. Soevereiniteit is uitgegroeid tot een strategisch en politiek vraagstuk dat raakt aan economie, veiligheid en geopolitieke verhoudingen.
Opvallend genoeg werd die discussie de afgelopen weken zichtbaar in twee besluiten binnen de mediasector. Follow theMoney maakte bekend afscheid te nemen van Cloudflare, een van de grootste beveiligingsbedrijven van het internet, terwijl DPG Media vrijwel gelijktijdig aankondigde zijn kantoorautomatisering verder onder te brengen bij Microsoft. Op het eerste gezicht lijken dat tegenovergestelde bewegingen. De een neemt afstand van een Amerikaanse technologiepartij, de ander verdiept juist die relatie. Toch draaien beide keuzes uiteindelijk om dezelfde vraag: hoe verhoudt de wens tot digitale autonomie zich tot de dagelijkse werkelijkheid van kwaliteit, veiligheid en schaal?
Voor Follow the Money lag het zwaartepunt bij vertrouwelijkheid. Om websites effectief te beschermen tegen cyberaanvallen loopt internetverkeer via de infrastructuur van Cloudflare. Daarmee krijgt het bedrijf technisch toegang tot informatie die voor een journalistieke organisatie gevoelig kan zijn. Niet omdat er aanwijzingen bestaan dat die informatie wordt gedeeld met Amerikaanse autoriteiten, maar omdat de mogelijkheid in theorie aanwezig is. Voor een onderzoeksredactie die afhankelijk is van bronbescherming en vertrouwelijkheid bleek dat voldoende reden om uit te kijken naar een alternatief. Die zoektocht leidde uiteindelijk naar het Europese Bunny.net.
DPG Media kwam na een vergelijkbare afweging tot een andere conclusie. Na de integratie met RTL Nederland onderzocht het concern eveneens Europese alternatieven, maar besloot uiteindelijk bij Microsoft te blijven. Volgens DPG zijn Europese aanbieders op dit moment nog niet in staat dezelfde combinatie van functionaliteit, integratie, ondersteuning en schaal te leveren die nodig is voor een organisatie met duizenden medewerkers. De ambitie om op termijn meer Europese technologie te gebruiken blijft bestaan, maar de praktische realiteit woog vooralsnog zwaarder dan de strategische wens.
Achter beide besluiten doemt dezelfde schaduw op: de Amerikaanse CLOUD Act. Die wetgeving maakt het mogelijk dat Amerikaanse autoriteiten onder bepaalde omstandigheden gegevens opvragen bij Amerikaanse bedrijven, ook wanneer die gegevens zich buiten de Verenigde Staten bevinden. Sinds de geopolitieke verhoudingen tussen Europa en de Verenigde Staten minder vanzelfsprekend zijn geworden, is die wet uitgegroeid tot een symbool van digitale afhankelijkheid. Voor veel organisaties lijkt zij inmiddels het belangrijkste argument om afstand te nemen van Amerikaanse technologie. Dat is begrijpelijk, maar tegelijkertijd versmalt het de discussie. De CLOUD Act vertegenwoordigt zonder twijfel een juridisch en geopolitiek risico, zeker voor organisaties die werken met journalistieke bronnen, staatsgevoelige informatie of vertrouwelijke onderzoeksgegevens. Tegelijkertijd zegt die wet weinig over de dreigingen waarmee organisaties dagelijks worden geconfronteerd. Voor de meeste bedrijven is de kans op ransomware, accountmisbruik, menselijke fouten of gebrekkig beveiligingsbeheer aanzienlijk veel groter dan de kans dat Amerikaanse autoriteiten specifiek geïnteresseerd raken in hun gegevens. Het risico waarover het meest wordt gesproken, is daarmee niet noodzakelijk het risico dat zich het vaakst manifesteert.
Juist daar wordt zichtbaar waarom veiligheid en soevereiniteit niet automatisch hetzelfde zijn. Een Europese leverancier valt mogelijk buiten het bereik van de CLOUD Act, maar beschikt niet vanzelfsprekend over dezelfde investeringskracht, wereldwijde infrastructuur of beveiligingscapaciteit als een partij als Microsoft, Google of Cloudflare. Omgekeerd kan een Amerikaanse leverancier een uitzonderlijk hoog veiligheidsniveau bieden, terwijl tegelijkertijd een beperkt juridisch afhankelijkheidsrisico blijft bestaan. De werkelijkheid laat zich daarmee moeilijk vangen in de eenvoudige tegenstelling tussen Europese autonomie en Amerikaanse dominantie die het publieke debat soms suggereert. De keuzes van Follow the Money en DPG Media zijn daarom minder tegenstrijdig dan ze lijken. Beide organisaties kijken naar dezelfde ontwikkeling en wegen grotendeels dezelfde factoren mee. Alleen verschillen hun prioriteiten, hun schaal en hun risicoprofiel. Voor de een weegt maximale autonomie rond gevoelige informatie zwaarder. Voor de ander zijn continuïteit, functionaliteit en schaal doorslaggevend. Geen van beide keuzes is irrationeel. Beide illustreren juist hoe complex de afweging inmiddels is geworden.
Misschien ligt daar ook de belangrijkste les. Digitale soevereiniteit is geen eindbestemming die met één leverancierskeuze wordt bereikt. Het is een langdurig proces waarin Europa stap voor stap probeert meer strategische ruimte te creëren. De vraag is daarom niet of Amerikaanse technologie moet worden vervangen. De interessantere vraag is welke Europese alternatieven sterk genoeg kunnen worden om daadwerkelijk een geloofwaardig alternatief te vormen wanneer organisaties die keuze willen maken. Want zolang autonomie vooral betekent dat organisaties moeten inleveren op schaal, functionaliteit of veiligheid, blijft soevereiniteit in belangrijke mate een politieke ambitie. Pas wanneer Europese aanbieders op al die dimensies kunnen concurreren, verandert die ambitie in een realistische optie. Dat is uiteindelijk de uitdaging die achter het hele debat zichtbaar wordt.
