
De afstand tussen Den Haag en Hilversum is klein, maar politiek en juridisch gezien kan de route verrassend en hobbelig blijken te zijn met her en der wat uithollingen over dwars. Dat geldt niet alleen voor het nieuw beoogde omroepstelsel, maar ook voor de participatie van de aspirant‑omroepen.
In haar voortgangsbrief van 24 april schrijft de minister dat ON! als enige omroep nog geen ONderdak heeft gevonden in de beoogde clustering van omroepen binnen de nieuwe Omroephuizen. Haar uitgangspunt blijft dat elke omroep met een (voorlopige) erkenning huisvesting moet krijgen. Zij is van plan dit uitganspunt te borgen door het als wettelijke voorwaarde vast te leggen voor het kunnen oprichten van omroephuizen.
Omdat de huidige clustering van omroepen ON! buiten de Omroephuizen-deur houdt, kondigt de minister aan externe partijen te willen inschakelen om te adviseren over een logische indeling. De boodschap lijkt duidelijk: als Hilversum het niet oplost, dan doet Den Haag het wel. Of dat laatste juridisch wel zo simpel te regelen is, laat de minister nog even in het midden.
Tijd dringt
Opvallend is dat dezelfde brief laat doorschemeren dat de wetgevingsoperatie vertraging dreigt op te lopen. De in het vooruitzicht gestelde internetconsultatie is niet langer voor de zomer maar rond de zomer van dit jaar. Ik lees dan: voor – rond = na de zomer. Dit wel tegen de achtergrond dat het nieuwe stelsel op 1 januari 2029 moet ingaan. Dat betekent dat de wet uiterlijk 1 juli 2028 in het Staatsblad moet staan. Met de veelal beoogde drie maanden tussen publicatie en inwerkingtreding is 1 oktober 2028 in mijn beleving de absolute deadline. Als die datum wordt gehaald, rijst wel de vraag of dit nog behoorlijke wetgeving is. De Omroephuizen moeten juridisch worden opgericht, medewerkers moeten tijdig weten waar zij terechtkomen, vakbonden en ondernemingsraden moeten hun werk kunnen doen, de NPO-organisatie moet haar nieuwe, lichtere coördinerende rol implementeren en zo zijn er nog wel meer voorbereidingshandelingen op het Mediapark nodig. Ook overgangswetgeving is wellicht noodzakelijk om de operatie juridisch te dekken. In de praktijk betekent dit volgens mij dat 1 juli 2028 de laatste realistische publicatiedatum is om de wet zonder al te grote uitvoeringsproblemen in werking te laten treden. Als er vooruitzicht is op spoedige inwerkingtreding na januari 2029 dan zullen wellicht mogelijke regelgevende noodverbanden tegen die tijd nog uitkomst bieden, echter fraai is dan anders.
En dan zijn er ook nog verkiezingen
In maart 2027 zijn er verkiezingen voor de Provinciale Staten, en dus indirect voor de Eerste Kamer. Rond die periode ligt het wetgevingsproces in de Senaat vrijwel stil. Bovendien kan een nieuwe politieke samenstelling van de Eerste Kamer grote gevolgen hebben voor de nieuwe Mediawet. De minister benoemt dit risico niet, maar geeft wel aan het wetsvoorstel begin 2027 naar de Tweede Kamer te willen sturen. De tijdslijnen schuiven daarmee gevaarlijk richting verkiezingsreces Eerste Kamer en zomerreces 2027 en is er nog maar één jaar over.
Wat als de nieuwe wet het niet (op tijd) haalt?
Dan komt een scenario in beeld dat in Hilversum vermoedelijk niemand wil: de huidige Mediawet blijft van kracht. Naarmate de tijd verstrijkt, kruipen de tijdslijnen van het huidige en het beoogde stelsel steeds dichter naar elkaar toe. Het punt waarop terugkeren onmogelijk wordt, komt dan snel dichterbij.
In dat scenario moet het hele erkennings- en concessieproces volgens de bestaande regels worden doorlopen. Dat begint bij het rapport van de Evaluatiecommissie, dat nog op zich laat wachten maar een formele rol speelt bij de beoordeling van nieuwe erkenningsaanvragen op basis van de huidige wet. Voor aspirant‑omroepen ON! en Zwart is die beoordeling zelfs expliciet voorgeschreven.
Daarnaast is de peildatum van het ledental door het Commissariaat voor de Media om toegang tot het bestel op basis van het huidige systeem te krijgen al vastgesteld op 31 december 2027. Het Commissariaat zal op zeker moment voor de telling voorbereidingen moeten treffen. De druk om te tellen wordt groter naarmate de publicatie en de inwerkingtreding van de nieuwe wet op zich laat wachten. De NPO zal vervolgens voor 1 november 2027 een nieuw concessiebeleidsplan bij de minister moeten indienen. Omroepen moeten daarna hun erkenningsaanvraag voor de zes te vergeven erkenningen vóór 1 februari 2028 in Den Haag indienen. Vervolgens moeten de adviesorganen van de minister adviseren; het Commissariaat, de Raad voor Cultuur en de NPO. De minister zal dan uiterlijk 1 augustus 2028 beslissen wie de zes beschikbare erkenningen zullen krijgen. Alleen dan kan een nieuwe erkenningsperiode op basis van het huidige stelsel op 1 januari 2029 ingaan.
In dit scenario zal de zo begeerde stelselherziening dan pas mogelijk zijn na afloop van die periode — op zijn vroegst 1 januari 2034. Of zullen de nieuwe concessie en erkenningen voor een kortere duur gegund worden? Dan is nog wel een simpele wijziging van de wet nodig. Wellicht juridisch simpeler dan de huidige erkenningen en concessie nog eens te verlengen.
En ON! dan?
Als de huidige wet blijft gelden, kan het voor ON! juridisch spannend worden. De omroep moet op de peildatum 50.000 leden hebben. Uit het jaarverslag 2025 blijkt dat er eind dat jaar nog 34.045 leden waren. Zelfs als ON! dat aantal weet op te krikken naar 50.000, moet de omroep vervolgens worden ondergebracht bij een bestaande samenwerkingsomroep — iets wat nu al moeizaam blijkt en de omroepen binnen dat samenwerkingsverband moeten dan samen wel weer 100.000 leden hebben. De minister heeft volgens mij onder het huidige stelsel mogelijk wel een betere positie om samenwerking af te dwingen dan onder het beoogde nieuwe stelsel.
Daarnaast moet het media‑aanbod van de aspiranten aantoonbaar onderscheidend zijn en bijdragen aan de verscheidenheid van het publieke aanbod. Het rapport van de Evaluatiecommissie kan daarbij een belangrijke rol spelen. Benieuwd wat de Commissie gaat opmerken. Uiteindelijk beslist de minister over het lot van de aspiranten.
PS: Opvallend is dat de minister in haar brief niet ingaat op de betekenis van dat rapport als de nieuwe wet wél wordt aangenomen. Heeft het dan nog waarde? Haar brief suggereert van niet: alle omroepen moeten immers een plek krijgen in de Omroephuizen, inclusief ON!, en er komt een adviescommissie om de huisvesting van ON! te regelen. Best wel opvallend dat de twee aspirant-omroepen op voorhand toegang krijgen tot het hervormde bestel. Doet dat recht aan de betekenis en rol van aspirant-omroepen en de vraag of de aspiranten hebben bijgedragen aan de onderscheidenheid? Het zou me niet verbazen als mediarechtgeleerden daar nog iets van gaan vinden.
Kortom, de minister schetst een route van Den Haag naar Hilversum waarin de nieuwe Mediawet op tijd wordt ingevoerd en ook de huidige aspirant-omroepen gegarandeerd onderdak krijgt. Maar wie de juridische werkelijkheid volgt, ziet dat de weg tussen Den Haag en Hilversum nog kan verrassen, hobbelig kan zijn, met hier en daar wat uithollingen over dwars en dat het uiteindelijke scenario wel eens heel anders kan uitpakken dan beoogd. Voor je het weet houdt het systeem zelf de spelers, of ze nu in Den Haag wonen of in Hilversum, in de greep met alle juridische aspecten van dien.
Lees ook:
