
De Verenigde Staten blijven een onuitputtelijke bron voor de media. Het land is inmiddels zo diep gepolariseerd dat elke vonk een kruitvat kan doen ontploffen. En de Amerikaanse media? Die staan er vaak al naast, klaar om het vuur aan te wakkeren.
Het dodelijke incident in Minneapolis, waarbij demonstrant Renee Good om het leven kwam tijdens een confrontatie met een ICE-agent, is zo’n vonk. Net als eerder bij George Floyd is het vooral de naam die onmiddellijk viraal gaat. Niet omdat de feiten al helder zijn, maar omdat het voorval zich leent voor morele vereenvoudiging en eenduidige verhalen.
Het patroon is inmiddels bekend. Protesten volgen, soms gepaard gaand met geweld. Online verschijnen vrijwel direct inzamelingsacties: voor de nabestaanden van Good, maar ook voor de verdediging van de betrokken agent, Jonathan Ross. Wie doneert aan wie, is geen neutrale handeling meer. Zelfs compassie wordt politiek.
Opvallend is hoe ver de frames uit elkaar liggen. Aan Democratische zijde wordt Good neergezet als een zorgzame moeder die haar kind naar school bracht en zonder aanleiding werd doodgeschoten – „geëxecuteerd”, volgens sommigen. Aan Republikeinse zijde overheerst het tegenovergestelde beeld: dat van een beroepsdemonstrant die bewust het gevaar opzocht, haar auto als wapen gebruikte en daarmee een agent tot handelen dwong. Was zij niet zo agressief geweest, luidt daar het betoog, dan was dit niet gebeurd.
Wat deze zaak extra inzichtelijk maakt, is een mediaverschijnsel dat we vaker zien. Hoe meer videomateriaal beschikbaar komt – bodycams, dashcams, beelden van omstanders – hoe minder de standpunten verschuiven. Elk kamp selecteert precies die fragmenten die het eigen verhaal ondersteunen. Meer informatie leidt niet tot meer nuance, maar tot scherpere loopgraven. Het slachtoffer is niet langer een persoon, maar een narratief.
Een dieptepunt vormde de uitspraak van de burgemeester van Minneapolis, die de verwonding van de agent vergeleek met het dichtdoen van een koelkastdeur. Een ongelukkige metafoor die onmiddellijk werd ingezet in de strijd om betekenis. Voor de ene kant was het bewijs dat Good volledig in haar recht stond en dat ICE structureel ontspoort. Voor de andere kant bevestigde het dat Democratische bestuurders elk gevoel voor proportionaliteit zijn kwijtgeraakt en politiek alles doen om de rechtsstaat aan te vallen.
Ook in Nederland bleef het incident niet ongeduid. Amerika-kenners en commentatoren namen snel positie in, vaak langs voorspelbare lijnen. De een zag vooral ontspoorde staatsmacht, de ander een tragisch maar onvermijdelijk gevolg van gevaarlijk gedrag. Het is begrijpelijk, misschien zelfs verleidelijk, om moreel stelling te nemen. Maar het risico is dat we het Amerikaanse mediavirus importeren zonder de bijsluiter te lezen.
We zijn hier nog niet zo gepolariseerd als de Verenigde Staten. Er zijn geen massale protesten geweest zoals na Floyd. Toch is ook in Nederland zichtbaar hoe snel kampen zich vormen, zelfs rond een incident ver van huis. De reflex om onmiddellijk partij te kiezen, en anderen te dwingen partij te kiezen, wint het steeds vaker van de bereidheid om te wachten op feiten, context en proportie.
Misschien is dat wel de echte les. Niet dat Amerika ontspoort – dat weten we inmiddels wel – maar dat media en ‘newsfluencers’, ook de onze, zich moeten afvragen welke rol zij spelen. Willen zij brandstof zijn voor het kruitvat, of water? In een tijd van overvloedige beelden en schaarse nuance is die keuze allesbehalve neutraal. We waren ooit een land van het polderen. Daarmee hielden we het water buiten en onze maatschappij letterlijk en figuurlijk droog. Laten we die kracht niet verliezen.

Geef als eerste een reactie