(Blog Guido van Nispen) Onder de lat, maar boven de kritiek: de limbodans van de publieke omroep top

Er zijn momenten waarop taal zichzelf verraadt. En dat is ook nu het geval zo direct voor het mediadebat in de Tweede Kamer volgende week.

In een recente brief aan politiek en beleidsmakers spreekt de top van de nationale publieke omroep, ondertekend door topvrouwen van de Publieke Omroep Jet de Ranitz, voorzitter van de Raad van Bestuur van de NPO, en Lonneke van der Zee, voorzitter van het College van Omroepen, in grote woorden over pluriformiteit, democratische verantwoordelijkheid en het onmisbare karakter van de publieke media. Bezuinigingen, zo lezen we, zijn “onverantwoord”, “onafgestemd” en leiden onvermijdelijk tot “afbraak van het aanbod”. Het is een vertrouwd refrein. En precies daarom roept het verwondering op. 

Want wie de brief aandachtig leest, ziet vooral wat níet wordt benoemd. Hervorming wordt bepleit, maar zelden concreet gemaakt. Bezuinigingen worden afgewezen, maar nauwelijks voorgedaan. En terwijl telkens wordt benadrukt dat de publieke omroep geen abstract systeem is maar een concrete voorziening, blijft één concreet aspect zorgvuldig buiten beeld: de eigen topstructuur.

De beeldspraak dringt zich op: limbo. Hoe hoog kan je blijven zonder de lat te raken? De wettelijke WNT-grens (Wet Normering Topinkomens – de ‘Balkenende Norm’)  fungeert daarbij als lat. Formeel wordt die niet overschreden binnen de publieke omroep. Maar flink bewegen onder die lat – zichtbaar laten zien dat de pijn ook bovenin begint – gebeurt niet. Integendeel: de top van het bestel toont zich eerder bedreven in het exact blijven binnen de marge dan in het zetten van een normatief voorbeeld.

Dat wringt. Niet alleen vanwege de hoogte van de inkomens, maar ook vanwege de aantallen. Waar in de rest van het publieke domein programma’s worden afgeslankt, zien we bij omroepen juist uitbreiding. Een derde bestuurder bij AVROTROS, een tweede bestuurder bij MAX en EO, een tweede hoofdredacteur bij ZWART – het zijn geen incidenten meer, maar patronen. Dat alles in een periode waarin tegelijk door de top wordt gesteld dat elke euro telt en het aanbod onder druk staat.

De brief stelt terecht dat hervorming en bezuiniging samen moeten gaan – zelfs Joop van den Ende vindt dat. Maar hervormen zonder zelf het voortouw te nemen, blijft vragen om begrip zonder dat vertrouwen wordt begrepen. Juist in een tijd waarin het publieke bestel onder een vergrootglas ligt, zou voorbeeldgedrag geen bijzaak moeten zijn, maar kern van legitimiteit.

Het argument dat ‘de bezuinigingen anders in het aanbod terechtkomen’ klinkt empathisch, maar verhult een keuze. Bezuinigingen zijn nooit neutraal. Ze laten zien wie wordt beschermd en wie niet. Als het antwoord steeds is dat de inhoud moet worden ontzien, maar de top ongemoeid blijft – of zelfs groeit – dan is dat óók een politieke keuze, al wordt die zelden zo benoemd.

De publieke omroep vraagt om vertrouwen, om tijd, om samenhangende keuzes. Dat is begrijpelijk. Maar vertrouwen is geen eenrichtingsverkeer. Het ontstaat wanneer woorden en daden elkaar raken. Wanneer hervorming niet alleen een systeemvraag is, maar ook een persoonlijke. Wanneer leiderschap zichtbaar betekent: beginnen bij jezelf.

Misschien schuilt daarin de kern van de paradox. In een pleidooi voor toekomstbestendigheid ontbreekt juist het signaal dat het heden serieus wordt genomen. Zolang de top zich blijft gedragen als geoefende limbodansers – technisch vaardig, juridisch binnen de lijnen, maar normatief leeg – blijft de wezenlijke vraag onbeantwoord: wie zet de lat lager? Als het antwoord niet uit Hilversum komt, dan zal het uit Den Haag moeten komen. Doet de politiek dat niet, dan blijft het patroon voorspelbaar: de top danst door, en de pijn belandt opnieuw bij de programma’s.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*