
Sinds augustus 2025 stelt de European Media Freedom Act bindende eisen aan de omgang van lidstaten met hun publieke media. Frankrijk levert een van de eerste serieuze praktijktesten en die valt verrassend genoeg twee kanten op.
De European Media Freedom Act is geschreven met Boedapest en Warschau in gedachten. Jarenlang zag Brussel toe hoe regeringen in Hongarije en Polen hun publieke omroepen ombouwden tot spreekbuizen, via benoemingen, budgetten en bestuursstructuren zonder dat het Unierecht er veel tegen kon beginnen. Daar lag ook een andere fundamentele reden achter. De algemene gedachte was dat publieke omroepen per land verschillen wat structuur, taak, financiering en opvatting betreft en het dus een nationale aangelegenheid is. Het zogenoemde Protocol bij het Verdrag van Amsterdam uit 1997 bevestigde deze juridische gedachtegang. Het bepaalt dat de verdragsbepalingen de bevoegdheid van de lidstaten onverlet laten om de publieke omroep te financieren en te organiseren, mits die financiering wordt verleend voor de vervulling van de publieke opdracht en de handelsvoorwaarden en de mededinging in de Unie niet zodanig worden beïnvloed dat dit strijdig is met het gemeenschappelijk belang. De EMFA, sinds augustus 2025 grotendeels van toepassing, zet dat protocol niet opzij, maar bouwt erop voort. Artikel 5 verwijst er zelfs uitdrukkelijk naar. Het Protocol blijft gelden voor het wát, de inhoud van de publieke opdracht, terwijl de EMFA nu het hóe regelt, de waarborgen waarbinnen die opdracht moet worden vervuld. Het is een verordening, dus rechtstreeks geldend recht en artikel 5 stelt voor het eerst bindende eisen aan de governance van publieke media in álle lidstaten.
Die eisen laten zich in vier regels samenvatten. Eén: publieke media zijn redactioneel en functioneel onafhankelijk en bieden op onpartijdige wijze een pluraliteitaan informatie en opinies. Twee: omroepbazen worden benoemd via transparante, open en niet-discriminatoire procedures en tussentijds ontslag kan alleen bij hoge uitzondering, op vooraf wettelijk bepaalde gronden. Drie: publieke media krijgen toereikende, duurzame en voorspelbare financiering, zodat ze meerjarig kunnen plannen en redactioneel onafhankelijk kunnen werken. Vier: een onafhankelijke autoriteit ziet daarop toe.
Die eerste regel verdient bijzondere aandacht, want juist daar heeft de EMFA in Frankrijk al concreet gewerkt. Het begrip onpartijdigheid werd in 1989 door de Conseil d’Étatin de Franse wet gebracht bij de behandeling van de tekst die de voormalige mediawaakhond CSA instelde. Daarna sprak er volgens het rapport-Lasserre niemand meer over. Niet in de cahiers des charges, niet in de parlementaire stukken en niet in de regulering door de CSA en opvolgerArcom. Pas in 2024 dook de term weer op via de EMFA. De EMFA heeft een vijfendertig jaar slapende Franse norm juridisch gereactiveerd.
Hoe scoren de drie Franse fronten uit deel 1 van vorige week op deze meetlat?
De fusiewet: grotendeels EMFA-proof, met twee vraagtekens
De holdingwet laat de president-directeur van France Médias benoemen door de onafhankelijke Arcom, via een procedure waarvan de bewoordingen vrijwel letterlijk uit artikel 5 EMFA zijn overgeschreven en de toelichting verwijst ook naar de verordening. En de nieuwe meerjarige “strategische conventies” tussen staat en omroep, van drie tot vijf jaar, ademen de EMFA-eis van voorspelbare financiering.
Toch blijven er twee vraagtekens. Het eerste aandachtspunt is dat bij de overgang naar de holding de lopende mandaten van de zittende omroeppresidenten beëindigd worden. Een wettelijk geregelde herstructurering is iets anders dan een individueel ontslag. De EMFA verbiedt reorganisaties niet, maar de geest van artikel 5, dat voortijdige mandaatbeëindiging juist aan banden legt om politiek getimede wissels te voorkomen, dwingt op zijn minst tot zorgvuldige motivering. Het tweede vraagteken is de machtsconcentratie. Eén persoon aan het hoofd van de hele publieke omroep betekent ook één aangrijpingspunt voor druk. De EMFA schrijft geen organisatiemodel voor, maar hoe groter de concentratie, hoe zwaarder de waarborgen moeten wegen.
Het rapport-Alloncle: frontale botsing
Heel anders ligt het bij de aanbevelingen van enquêterapporteur Charles Alloncle. Zijn kernvoorstel om de omroeptop weer te laten benoemen door de president van de Republiek botst frontaal met de logica van de EMFA. Benoeming van publieke topfuncties door de uitvoerende macht is op zichzelf niet ongebruikelijk. Of een adviesrol voor parlement en toezichthouder zoals wordt voorgesteld ook EMFA-proof is, vraag ik mij af. De EMFA vraagt méér dan sec transparantie. De EMFA vraagt procedures die onafhankelijkheid daadwerkelijk waarborgen en zij is nu juist geschreven tegen het model waarin regeringsbenoemingen publieke media politiek gelijkschakelen.
Tel daarbij op de gedachte de omroepen onder te brengen bij een secretariaat-generaal onder de premier, een sanctioneerbare neutraliteitsplicht die tot in het privéleven van journalisten reikt en een bezuinigingsdoelstelling van circa een miljard euro op een budget van vier miljard. Dat samenstel laat zich wel heel moeilijk rijmen met een verordening die redactionele onafhankelijkheid en toereikende, voorspelbare financiering vooropstelt. Zolang het rapport politiek een dode letter blijft, is er voor Brusselniets aan de hand. Maar het circuleert als programma voor de presidentsverkiezingen van 2027. Zou een toekomstige regering het uitvoeren, dan ligt een confrontatie met Brussel voor de hand.
De decreten-Lasserre: EMFA-conform met één waarschuwing
Het derde front is de EMFA-conforme tegenhanger van Alloncle. De verordening draagt publieke media op onpartijdig pluriforme informatie en opinies te bieden. Een lidstaat die dat beginsel handen en voeten geeft via interne ethische comités, redactionele charters en toetsing vooraf door een onafhankelijke regulator, dus precies het pakket dat nu via de gewijzigde cahiers des charges wordt ingevoerd,beweegt binnen de gedachte van de EMFA.
Eén waarschuwing is wel op haar plaats. De cahiers des charges worden per regeringsdecreet vastgesteld. Wanneer de uitvoerende macht definieert wat “onpartijdigheid” inhoudt en daar rapportageplichten aan koppelt, is de grens met inmenging in de redactionele autonomie principieel dun, óók al is de inhoud gematigd, door gezaghebbende onafhankelijke rapporteurs voorbereid en ligt het toezicht bij de mediawaakhond. De toets is niet het etiket “onpartijdigheid”, maar wie de norm invult, hoe zij wordt gehandhaafd en of de redactie zelf aan het roer blijft. De uitwerking en de praktijk zijn dan de proef op de som.
De sluipende vierde casus: het geld
En dan is er nog een front, de begroting. Frankrijk schafte in 2022 de omroepbijdrage af en verving haar door een geoormerkt deel van de btw-opbrengst die sinds eind 2024 permanent verankerd is in een organieke wet, juist om de omroep uit de jaarlijkse begrotingsstrijd te houden. Op papier keurig EMFA-conform.
Maar wat betekent “toereikend, duurzaam en voorspelbaar” wanneer de budgetten jaar op jaar dalen en de sector zelf van een neerwaartse lijn spreekt? De EMFA bevat geen rekenformule en het Hof van Justitie zal terughoudend zijn om begrotingskeuzes van lidstaten over te doen. In ieder geval is het iets dat nog niet door het Hof is uitgekristalliseerd. Toch is denkbaar dat structurele kortingen die niet uit de publieke taak voortvloeien maar uit politiek opportunisme of uit de wens tekorten elders op te vangen, op enig moment de vraag oproepen of de ondergrens van artikel 5 nog wordt gehaald. De Conseilconstitutionnel gaf daarvoor zelf al een aanknopingspunt bij de toetsing van de organieke financieringswet. Het waarborgen van de middelen van de publieke omroepsector vormt volgens de Raad een element van haar onafhankelijkheid en die onafhankelijkheid draagt bij aan de verwezenlijking van de vrijheid van communicatie. Een wettelijk verankerd financieringsmechanisme is iets anders dan een gegarandeerd financieringsniveau, een les die ook buiten Frankrijk relevant is.
Slotsom: stresstest én showcase
Wat leert de Franse casus? Dat het debat over de publieke omroep in wezen een debat over checks-and-balances is en vooral over nut en noodzaak van publieke omroep en over de rol van de politiek. Fusiewet, enquêterapport, decreten en begroting stellen elk dezelfde vraag. Hoeveel afstand zit er tussen de financiering, de politieke macht en degene die bepaalt wat er wordt uitgezonden en wie bewaakt die afstand? De EMFA heeft die vraag van een nationale naar een Europese vraag getild.
Frankrijk is daarbij twee dingen tegelijk. Enerzijds stresstest want het rapport-Alloncle laat zien hoe snel de politieke wind kan draaien richting een model dat met de EMFA op gespannen voet staat. Maar anderzijds ook showcase. De wet-Lafon vertaalt de EMFA-taal al in nationale wetgeving en het spoor-Lasserre demonstreert hoe een volwassen bestel een gepolitiseerde aanval kan absorberen door de legitieme kern van de kritiek te scheiden van haar destructieve verpakking en onder te brengen bij organen die voor dat werk zijn ontworpen. Dan moeten die organen dat zelf ook in overeenstemming met de gedachten van de EMFA waarmaken en transparant en controleerbaar zijn. De EMFAdie voor Boedapest en Warschau werd geschreven, beleeft misschien wel haar meest leerzame praktijktest in Parijs. Voorlopig valt die test twee kanten op en juist dat maakt de situatie in Frankrijk leerzaam.
Stand van zaken: medio juli 2026. Deel 2 van een tweeluik; deel 1 beschrijft de feitelijke ontwikkelingen. Gebaseerd op Verordening (EU) 2024/1083 (European Media Freedom Act), de parlementaire dossiers van Assemblée nationale en Senaat, het rapport van de enquêtecommissie (5 mei 2026) en het rapport-Lasserre (29 mei 2026). De EMFA-duiding in dit deel is een eigen analyse van de auteur; gezaghebbende rechtspraak over artikel 5 EMFA ontbreekt vooralsnog.
