
Wie Tyler Brûlé van Monocle hoort spreken met CNN over media, hoort geen nostalgicus maar een realist. Zijn observaties zijn opvallend consistent: mensen verlangen niet primair naar méér digitale prikkels, maar naar betekenis, context en aanwezigheid. Groei bij Monocle, zo stelt hij, komt niet alleen uit print of digitaal, maar uit gemeenschap, cafés, retail, plekken waar een “considered conversation” (doordacht, inhoudelijk gesprek) kan ontstaan. En misschien nog belangrijker: journalistiek vraagt om kijken, waarnemen, absorberen. Niet om het reflexmatig produceren van content via schermen en algoritmen.
Die visie schuurt interessant langs het debat over de Nederlandse Publieke Omroep. In Hilversum woedt al jaren een bijna technocratische discussie over bereik, budgetten en platforms. Lineair versus digitaal. Jongeren versus vergrijzing. Efficiëntie versus identiteit. Maar onder die cijfers ligt een fundamentelere vraag: wat is de publieke waarde van media in een tijdperk waarin iedereen kan publiceren?
Brûlé’s kritiek op wat hij “ephemeral digital shatter” (vluchtige digitale versnippering) noemt, raakt een gevoelige snaar. De NPO heeft zich de afgelopen jaren noodgedwongen aangepast aan een gefragmenteerd medialandschap. Meer online, meer clips, meer formats die moeten concurreren met commerciële platforms. Dat is begrijpelijk. Maar de keerzijde is zichtbaar: een permanente jacht op zichtbaarheid, snelheid en emotie. De logica van het algoritme — aandacht maximaliseren — dringt de logica van de publieke taak naar de achtergrond.
De publieke omroep opereert daarmee steeds vaker in wat Brûlé een “shouty environment”, een luidruchtige, schreeuwerige mediaomgeving, zou noemen: talkshows waarin conflict de motor is, debatprogramma’s waarin nuance het tempo niet mag vertragen, nieuwsvoorziening waarin urgentie structureel belangrijker lijkt dan duiding. Het resultaat is paradoxaal. Het aanbod wordt breder, maar het vertrouwen brozer.
Zijn waarschuwing voor de AI-wedloop is in dat licht minstens zo relevant. Natuurlijk moet ook de NPO investeren in technologie. Automatisering kan processen verbeteren, archieven ontsluiten, productiekosten verlagen. Maar Brûlé stelt een ongemakkelijke vraag: wie blijft er over in de journalistieke redactie? Technologie kan efficiëntie verhogen, maar geen redactionele diepgang vervangen. Een iPhone op locatie is geen journalistiek argument; analyse en context zijn dat wel.
Voor de publieke omroep is dat een existentiële kwestie. Juist daar waar commerciële media primair op schaal en snelheid concurreren, zou de NPO het onderscheid moeten zoeken in rust, kwaliteit en intellectuele geloofwaardigheid. Minder volume, meer waarde. Minder formats, meer signatuur. Minder schreeuwen, meer gesprek.
Misschien ligt hier een vergeten kracht van het publieke bestel. Brûlé benadrukt het belang van fysieke en sociale aanwezigheid: media als gemeenschap, niet alleen als distributiekanaal. De NPO bezit iets wat streamingplatforms niet hebben en dat is institutionele verankering, publieke legitimiteit, culturele infrastructuur. De vraag is of die voldoende wordt benut.
Want uiteindelijk draait het niet om technologie, platforms of kijkcijfers alleen. Het draait om een publieke ruimte waarin informatie, cultuur en debat betekenis krijgen. Waar verslaggeving niet wordt gereduceerd tot fragmenten, en waar persoonlijkheden niet de plaats innemen van journalistiek vakmanschap.
Een publieke omroep hoeft in dat landschap niet de luidste stem te zijn, noch de snelste producent van fragmenten. Haar onderscheid ligt elders: in scherpte, focus en het vermogen om werkelijk te kijken. Misschien is dat wel de meest Brûlé-achtige les voor Hilversum. Niet turen door het scherm, maar observeren met aandacht. Want wie de wereld wil duiden, doet er goed aan haar eerst helder in beeld te brengen, desnoods met een monocle. Eén oog, maar wél gericht.
PS: Ezra Eeman heeft wederom een mooi media rapport afgeleverd, dit keer een ‘trendrapport/playbook’ over jongeren. Wie het NPO-playbook naast de visie van Tyler Brûlé legt, ziet minder tegenstelling dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Achter de beleidsmatige taal van Hilversum en de redactionele filosofie van Monocle tekent zich een opmerkelijk gedeeld vertrekpunt af: media draaien uiteindelijk niet om technologie, maar om betekenis. In een medialandschap dat wordt gedomineerd door snelheid en algoritmen, ligt het onderscheid niet in méér interactie of méér content, maar in scherpere keuzes. Minder ruis, meer betekenis. Minder prikkels, meer aanwezigheid. Of, zoals beide documenten impliceren: publieke waarde begint waar media weer ruimte maken voor aandacht.
Overigens blijft de vraag wat de NPO uiteindelijk doet met de inmiddels eindeloos lijkende stroom aan inzichten, analyses en innovatie-rapporten. Waar Monocle als wendbare organisatie nieuwe ideeën vrijwel direct vertaalt naar concrete keuzes, verloopt die beweging binnen het publieke bestel merkbaar trager. Begrijpelijk, gezien de institutionele complexiteit, maar niet zonder consequenties. Misschien schuilt hierin een bredere les voor Hilversum. In een medialandschap dat razendsnel verschuift, vormen snelheid en inzicht geen tegenstelling, maar een noodzakelijke combinatie.
