
Het DLD-congres vorige week in München maakte één ding onmiskenbaar duidelijk: kunstmatige intelligentie is geen randverschijnsel meer in de media, maar een structurele kracht die raakt aan de kern van het vak. Niet alleen aan verdienmodellen of distributie, maar aan vertrouwen, eigendom en legitimiteit. Het panel over media en AI voelde dan ook minder als toekomstverkenning en meer als een reality check.
Gespreksleider Henry Blodget, oprichter van Business Insider, zette de toon met een observatie die even geruststellend als ongemakkelijk was. Zolang er mensen zijn, willen zij weten wat er gebeurt en wat het betekent. Die behoefte verdwijnt niet door AI. Integendeel: juist in een wereld van overvloedige, synthetische informatie groeit de behoefte aan duiding, selectie en betrouwbaarheid. Journalistiek, zo werd duidelijk, is geen technologie maar een methode.
Tegelijk liet Blodget zien hoe dun de scheidslijn al is geworden. Hij experimenteerde met het laten genereren van een voorpagina van de WallstreetJournal door AI. Niet briljant, maar overtuigend genoeg om verwarring te zaaien. Het onderscheid tussen menselijk vakmanschap en synthetische productie is niet langer vanzelfsprekend zichtbaar. Juist daarom worden merken, redactionele discipline en reputatie belangrijker, niet minder.
Die lijn werd verder doorgetrokken door Almar Latour, CEO van Dow Jones — en een Nederlander die het uitzonderlijk ver heeft gebracht in de mondiale mediawereld en terecht geldt als een van de scherpste denkers over de toekomst van journalistiek. Latour wees op een aspect dat in veel AI-debatten onderbelicht blijft: eigendom. Informatie heeft waarde en kan niet zomaar worden onttrokken, verwerkt en opnieuw verspreid zonder toestemming. Journalistiek is geen vrij toegankelijke grondstof, maar intellectueel kapitaal. (Overigens de reden dat Blodget de voorpagina in de stijl en met informatie van de Wallstreet Journal kon maken met ChatGPT, is dat er een commerciële afspraak is tussen WSJ en OpenAI.)
Latour koppelde dat aan wat hij een ‘flight to quality’ noemde. In een wereld waarin miljoenen artikelen in seconden kunnen worden gegenereerd, wordt betrouwbaarheid schaars. Niet snelheid of volume bepaalt wie overleeft, maar broncontrole, redactie en consistent investeren in vertrouwen. Wie nu opnieuw denkt dat informatie ‘vrij’ moet zijn, herhaalt de fout die eerder duizenden lokale kranten de kop kostte.
Tegelijk klonk er geen technofobie. FlorenciaSchiavon van Sifted bracht een nuchtere praktijkblik. AI is geen vervanging van journalistiek, maar een productiviteitstool. Laat algoritmes het ruiswerk doen, zodat journalisten weer tijd krijgen voor mensen, bronnen en context. Het gevaar zit niet in het gebruik van AI, maar in het gedachteloos inzetten ervan.
Wat het panel in München vooral blootlegde, is dat AI moreel neutraal is. Het versterkt bestaande keuzes. Media die investeren in kwaliteit, transparantie en relatie met hun publiek krijgen krachtigere instrumenten. Media die leunen op snelheid, herhaling en schaal versnellen hun eigen irrelevantie.
Daarmee raakt dit debat aan een bredere maatschappelijke vraag. Wie bepaalt straks welke informatie wordt samengevat, gefilterd of naar voren geschoven door algoritmes? En op basis van welke normen? Als journalistiek haar methodische rol verliest, verdwijnt niet alleen een bedrijfstak, maar een publieke functie. Juist daarom vraagt AI niet om minder journalistiek, maar om beter georganiseerde, beter gefinancierde en expliciet verantwoordelijke journalistiek.
De paradox van dit moment is dat technologie media niet dwingt tot versnellen, maar tot vertragen. Tot expliciet maken wat feit is, wat interpretatie en wat onzeker blijft. In een tijdperk van oneindige output wordt journalistiek opnieuw wat het altijd had moeten zijn: een methode. En juist daardoor weer schaars.Bovendien liet Latour zien dat er ook grote commerciële waarde is in goede content. Anders had hij de deal met OpenAI nooit kunnen maken.

Geef als eerste een reactie