Blog Jan Müller: ‘Stel dat er geen sociale media zouden zijn.’

‘We kunnen ons beter informeren dan ooit, maar raken tegelijkertijd de grip op ons nieuws kwijt.’ Volgens experts is het allebei waar. Het Grote Mediadebat, het interessante initiatief van Stichting Democratie en Media, NU.nl en de Argumentenfabriek, bracht met twaalf experts die paradox in kaart aan de hand van 21 expertstellingen. Toen ik ze las bleef ik steeds bij sociale media uitkomen. Dat hun invloed groot is, weten we inmiddels wel. Toch vond ik het bijna overweldigend hoe vaak die invloed in vrijwel al die kwesties terugkeert: in de manier waarop informatie ons bereikt, aandacht wordt verdeeld en mensen elkaar vinden of hoe ze tegenover elkaar komen te staan.

Ruim een week geleden was ik in Parijs. Lekker getimed: het weekend van de rellen. We zagen de in eerste instantie vreedzame protesten een bizarre wending nemen toen groepen relschoppers door de stad trokken, met vernielingen, plunderingen en confrontaties met de politie tot gevolg. Wat me vooral fascineerde was wat voor wereld er achter dat geweld schuilging. Letterlijk in dit geval. Welke berichten en beelden waren hieraan voorafgegaan? Hoe kantelde zo’n zaterdag? Dat sociale media en chatgroepen een rol speelden bij het aanwakkeren van de onrust en het mobiliseren van mensen snapten we wel, maar toch. Het leek wel een parallelle wereld die opeens uitbarstte.

In de metro zat zoals altijd het overgrote deel van de reizigers op hun mobieltjes te turen. Als je erop let is het bijna komisch. Getriggerd door wat er in de stad boven ons gebeurde begon tijdens onze rit met lijn 6 een gedachtenexperiment. Stel dat het morgen ophoudt: geen sociale media meer, geen chatdiensten. Tijdlijnen en groepsapps zijn weg.

Kijken we dan weer iemand aan? Maken we een praatje met degene naast ons, zoals SIRE ons aanmoedigt? Misschien bellen we weer eens aan bij vrienden. Of keren we zelfs terug naar ‘vroeger’, toen een afspraak nog een afspraak was, al was het maar omdat je onderweg niet kon appen dat het later werd.

Waarschijnlijk zoeken we vooral zo snel mogelijk een vervanging. De school moet ouders nog steeds kunnen bereiken en de voetbalclub wil weten wie er zaterdag kan rijden. Kinderen moeten overleggen over de zorg voor hun ouders en ook relschoppers zullen andere wegen zoeken, het geweld is tenslotte ouder dan de groepsapp. Vraag het de gepensioneerde voetbalhooligans maar die behoorlijk georganiseerd in de jaren ’70 en ’80 stadions en stadscentra onveilig maakten.

We kunnen de techniek dus wel wegdenken, maar niet de behoeften waarin die voorziet. De behoefte aan contact, erkenning en ergens bij horen verdwijnt niet, net zomin als de woede of de bereidheid geweld te gebruiken. Daarmee zijn platforms niet onschuldig: hoe ze aandacht verdelen en welke berichten ze versterken, doet er behoorlijk toe. Maar wie alles aan sociale media toeschrijft, maakt het zichzelf ook wat gemakkelijk.

En zou de wereld van vroeger nog op ons staan te wachten? De buurtwinkel is misschien verdwenen, vrienden wonen verder weg en de bibliotheek is minder vaak open. Zonder tijdlijn ontstaat nog geen ontmoetingsplek.

De samenleving zou niet stilvallen. Wel zouden we merken hoeveel dagelijkse verbindingen we inmiddels hebben ondergebracht bij een handvol techbedrijven. Verbindingen die prettig en praktisch zijn, soms onmisbaar voelen, maar verlopen volgens voorwaarden waarop we nauwelijks invloed hebben. In ongeveer twee decennia is dat vanzelfsprekend geworden. We hebben ermee leren leven voordat we goed hadden bedacht welk leven we ermee wilden.

Daar zit voor mij ook de verbinding met de vraag uit Het Grote Mediadebat. We kunnen voortdurend contact onderhouden en eindeloos informatie ontvangen, zonder dat we zien wat ons nu eigenlijk gezamenlijk aangaat. Jouw tijdlijn laat jou iets anders zien dan die van mij. Dat hoeft geen probleem te zijn, totdat zaken die ons allebei raken uit beeld blijven of alleen als losse, persoonlijke ervaringen voorbijkomen.

En de journalistiek? Het houdt ons als sector meer en meer bezig. Mijns inziens staat de journalistiek daar dus niet buiten. Ook wij zoeken het publiek op platforms, hopen op bereik en concurreren om aandacht. Dat is begrijpelijk (we willen ‘zijn waar de mensen zijn’) maar daarmee helpen we ook de systemen voeden waarvan we de invloed tegelijkertijd kritisch onderzoeken. Onze opdracht kan daarom niet ophouden bij de vraag hoe we tussen al die berichten worden aangeklikt.

Vakmatig kijk ik naar welke rol wij hier als regionale publieke omroepen hebben. We kunnen zichtbaar maken hoe de ervaringen en zorgen van onze inwoners met elkaar samenhangen, ook wanneer die op persoonlijke tijdlijnen en los van elkaar voorbijkomen. Daarmee herstellen we nog geen verdwenen buurtleven, maar helpen we mensen wel te zien wat hen met hun omgeving verbindt. We spreken inwoners zo aan op hun interesses én als medebewoners van een gebied waarin besluiten vaak meer mensen raken dan op het eerste gezicht duidelijk is.

Neem een buslijn die dreigt te verdwijnen. Een scholier vraagt zich af hoe hij straks op school komt, een oudere hoe zij het ziekenhuis bereikt en een werkgever hoe zijn personeel op tijd kan beginnen. Verschillende zorgen, die allemaal bij hetzelfde blijken uit te komen als een journalist laat zien dat het over de geschrapte buslijn 84 tussen Drachten en Assen gaat. Regionale journalistiek kan die ervaringen bijeenbrengen en onderzoeken waarom die lijn moet verdwijnen, wie daarover beslist en welke alternatieven er zijn. Zo helpen we mensen hun eigen ervaring te verbinden met die van anderen. Ze hoeven het niet eens te worden over de oplossing. Maar ze moeten wel kunnen begrijpen wat er op het spel staat en wie daarop aanspreekbaar is.

De tijdlijn bepaalt allang een belangrijk deel van wat we van elkaar zien. Daar nog eens voor waarschuwen is niet genoeg. Daar hoort onafhankelijke journalistiek tegenover te staan die inwoners ook buiten die platforms weet te bereiken, feiten controleert en macht bevraagt. En die zo’n buslijn blijft volgen wanneer de eerste verontwaardiging is weggeëbd, maar de scholier nog steeds niet weet hoe hij maandag op school komt.

Wat onze inwoners gezamenlijk aangaat, mag niet afhankelijk zijn van wat een platform hen ieder afzonderlijk wil laten zien.