
Tijdens ons bezoek aan de redactie van Streekomroep West-Friesland in Hoorn wordt er gewerkt, overlegd en gelachen. Maar onder die dagelijkse dynamiek ligt een verhaal dat minder vanzelfsprekend is dan het lijkt. Streekomroep West-Friesland ontstond niet uit een simpele optelsom van lokale omroepen, maar uit een proces waarin idealen, ego’s en identiteiten elkaar voortdurend raakten. Hoofdredacteur Erik Bout blikt terug op die ontwikkeling en kijkt vooruit naar wat nog beter moet.
Wanneer wist je: dit moet anders?
‘Dat besef zat er eigenlijk al vrij vroeg. We zagen dat het medialandschap veranderde en dat lokale omroepen in hun eentje steeds kwetsbaarder werden; financieel, organisatorisch en journalistiek. Tegelijkertijd groeide de behoefte aan sterke, onafhankelijke journalistiek in de regio. Dat voelde je gewoon: er gebeurde van alles in gemeenten, maar de capaciteit om dat goed te volgen ontbrak vaak.Voor ons voelde het dus niet als een verplichting dat we naar streekomroepen gingen, maar als een logische stap. We wilden niet afwachten tot het ons werd opgelegd, maar zelf richting geven aan die verandering.En in West-Friesland heb je dan ook nog het voordeel dat het echt een regio is. Mensen voelen zich West-Fries, er is een duidelijke culturele identiteit, een eigen toon, een eigen manier van denken. Dus op papier denk je: dit moet kunnen. Maar in de praktijk blijkt dat juist die sterke identiteit ook kan botsen wanneer je organisaties bij elkaar brengt.’
Hoe begon die samenwerking?
‘Wij waren al streekomroep, maar bij een hernieuwde aanvraag besloten we de krachten te bundelen met de andere kandidaten. Dat was nog voordat er extra geld beschikbaar was, dus het was echt pionieren. Er was geen blauwdruk, geen duidelijke route,.. je moest het zelf uitvinden.Later kwam er financiële ondersteuning van het SvdJ en konden we professionaliseren. We groeiden van zelfstandige labels naar een organisatie met meerdere platforms: radio, televisie, online en social media. Dat gaf energie. Je zag dat het werkte: je kon meer verhalen maken, beter samenwerken, sneller schakelen.Maar tegelijkertijd kwam toen ook de volgende fase. Want groeien is één ding, echt tot een eenheid komen is iets anders. Toen kwam de vraag: hoe ga je al die verschillende clubs, met hun eigen geschiedenis en cultuur, daadwerkelijk samenbrengen?’
Waar zat de grootste uitdaging?
‘In de mensen en in de cultuur en die verander je niet met een besluit.Iedere samenwerkingspartner had zijn eigen geschiedenis, zijn eigen manier van werken, zijn eigen ritme. En vooral bij onze twee radiostations zat dat heel diep. Daar werkten mensen soms al tientallen jaren. Bij die radiomakers ging het niet over zomaar een hobby, maar over een identiteit, bijna een levenswerk.Die cultuurverschillen werden extra zichtbaar doordat er in West-Friesland ook nog meerdere partijen naast elkaar bestonden. Zo waren er labels als HoornRadio en het videoplatform Van Hoorn Zeggen, die ieder hun eigen achterban en positie hadden opgebouwd. Tegelijkertijd dienden zich in de aanloop naar de nieuwe aanwijzing meerdere concurrerende initiatieven aan.Op een gegeven moment waren er ineens drie partijen die aanspraak maakten op dezelfde regio. Gemeenten hadden daar ook verschillende ideeën over. De één steunde HoornRadio, terwijl een andere gemeente juist weer Van Hoorn Zeggen naar voren schoof. Dan krijg je dus dat een gemeente een omroep aanwijst die niet eens hun gemeentenaam draagt. Dat laat zien hoe versnipperd het toen nog was en hoe weinig vanzelfsprekend die samenwerking eigenlijk was.’
Was het een bloedgroepenstrijd?
‘Zeker. Het ging er niet alleen om wie wat ging doen, maar vooral om waar je bij hoorde. Mensen voelden zich echt verbonden met hun eigen club. De ene groep wilde niet bij de andere horen en andersom ook niet.En daar zat ook angst onder. Angst om overgenomen te worden, om je positie kwijt te raken, om niet meer serieus genomen te worden. Die strijd speelde vooral bij de radio. Daar botsten verschillende identiteiten frontaal op elkaar. Radiolabels als WEEFF en HoornRadio stonden lijnrecht tegenover elkaar. Op papier is het logisch om dingen samen te voegen, maar voor mensen voelt dat alsof iets van hen wordt afgepakt. En dat moet je serieus nemen, want anders verlies je ze.’
Wanneer werd dat echt zichtbaar?
‘Op het moment dat we keuzes moesten maken. Bijvoorbeeld over efficiëntie. Je kunt niet twee radiostations naast elkaar laten bestaan die op hetzelfde moment hetzelfde doen met dezelfde programma’s, dezelfde onderwerpen. Dat is niet uit te leggen, ook niet richting subsidieverstrekkers.Maar als je dat zegt tegen mensen die daar jarenlang hun energie in hebben gestoken, dan komt dat hard aan. Dan raakt het niet alleen hun werk, maar ook hun gevoel van waarde en erkenning.De gevolgen bleven niet uit. Uiteindelijk vertrokken er zo’n vijftien medewerkers en dat waren betrokken makers, geen randfiguren. Mensen die de organisatie mede hadden opgebouwd.Dat heeft echt pijn gedaan. Niet alleen praktisch, omdat je capaciteit verliest, maar ook emotioneel. Want je wil juist iedereen meenemen in zo’n proces en als dat niet lukt, voelt dat als falen en moet je ook eerlijk zijn naar jezelf: hadden we dit anders kunnen doen? Voor sommigen lag de grens bij hun identiteit. Als hun zendernaam of autonomie verdween, hield het op.’
Hoe hebben jullie het uiteindelijk opgelost?
‘Door ruimte te geven, maar wel binnen duidelijke kaders. We hebben gezegd: je mag je eigen identiteit behouden, zolang je achterban dat belangrijk vindt. We gaan niet alles in één keer gelijk trekken.Tegelijkertijd hebben we wel een overkoepelende structuur neergezet. Eén organisatie, één koers, één naam voor alles wat de regio als geheel raakt.In plaats van alles direct te vervangen, ontstond er een parapluconstructie. Geen nieuwe stichting, maar een vorm waarin bestaande omroepen konden blijven bestaan onder één dak.Daarvan was de strekking: er komen geen verliezers. Iedereen kan meedoen, maar wel binnen één structuur. Dat heeft geholpen om mensen over de streep te trekken, ook al bleef het spannend.’
Werkt dat?
‘Ja, eigenlijk wel. Zeker op de redactie zie je dat het werkt. Daar denken mensen niet meer in oude clubs of labels. Daar gaat het over doelen en toekomst, over verhalen, over samenwerking, over wat je samen maakt.De fricties zitten nog vooral bij de oude radiostructuren waar historie en emotie zwaarder wegen. Maar ook daar zie je langzaam beweging.Wat helpt is dat mensen elkaar op de werkvloer tegenkomen. Dat ze samen projecten doen, samen uitzendingen maken, samen successen beleven en dan verdwijnen de tegenstellingen vanzelf.’

Wat heeft daarbij geholpen?
‘De focus op journalistiek. We hebben heel bewust gekozen om te investeren in de kwaliteit van onze inhoud. In mensen die verhalen maken, die de regio volgen, die verdieping brengen. Dat geeft richting. Want als je samen werkt aan journalistiek, dan verdwijnen die oude grenzen vanzelf een beetje. Dan gaat het niet meer over uit welke bloedgroep je afkomstig bent, maar over wat je maakt en wat je toevoegt. Waar radio ooit dominant was, is het nu onderdeel geworden van een bredere journalistieke organisatie met meerdere platforms en dat helpt om die omslag te maken.’
Hoe ziet die organisatie er nu uit?
‘We hebben ongeveer zeven fte aan journalisten, verdeeld over iets meer mensen. Daarnaast werken we met freelancers en ruim honderd vrijwilligers of eigenlijk medewerkers, want zo zien we ze ook.Die combinatie maakt het mogelijk om veel te doen. Je hebt professionele slagkracht, maar ook wortels in en betrokkenheid uit de regio. Tegelijkertijd vraagt dat ook veel van je organisatie: je moet begeleiden, afstemmen, structuur bieden.’
Waar zit nog ruimte voor verbetering?
‘In onze interne werkwijze. We hebben richtlijnen, redactiestatuten en journalistieke codes, alles is er. Maar in de praktijk merk je dat mensen daar verschillend mee omgaan.We hebben bijvoorbeeld een situatie gehad waarin iets werd gepubliceerd wat achteraf niet helemaal klopte. Dan krijg je discussie: haal je het weg, laat je het staan, hoe transparant ben je?En dan blijkt dat we daar niet één lijn in hebben. Dat is iets wat we echt beter moeten organiseren. Niet alleen op papier, maar juist in het dagelijks handelen.’
En qua capaciteit?
‘We zitten eigenlijk net op het randje. We kunnen ons werk goed doen, maar als je echt een volgende stap wil maken – meer verdieping, meer onderzoeksjournalistiek – dan heb je meer mensen nodig.We worden enorm geholpen door vrijwilligers en stagiairs. Zonder hen zouden we het niet redden. Maar eigenlijk zouden we er twee betaalde krachten bij moeten hebben.’
Hoe houd je de balans tussen ambitie en realiteit?
‘Door eerlijk te zijn tegen jezelf en tegen elkaar. We hebben stevige ambities, maar we moeten ook realistisch blijven over wat kan.En door kritisch te blijven. Ik kreeg laatst nog van collega’s te horen dat ik te veel benadrukte wat goed ging en te weinig wat beter kon. Dat soort feedback is belangrijk…het houdt je scherp.’
Waar willen jullie naartoe?
‘We willen een stabiele, professionele organisatie zijn met voldoende journalistieke slagkracht. Dat we echt ons werk kunnen doen als publieke omroep: informeren, controleren en verbinden.Daarvoor heb je een sterke redactie nodig, maar ook een organisatie eromheen die dat ondersteunt en faciliteert. We zijn onderweg. Dat is het eerlijke antwoord. We hebben flinke stappen gezet, maar het is niet af en misschien wordt het dat ook nooit helemaal.’
Wat maakt het de moeite waard?
‘Dat je het samen doet. Met alle verschillen, met alle discussies. Dat je ziet dat mensen groeien, nieuwe dingen gaan doen, elkaar vinden.En dat je merkt dat het ertoe doet in de regio. Dat mensen je weten te vinden, dat je verhalen impact hebben. Daar doe je het uiteindelijk voor.’

1 Trackback / Pingback
Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.