
Wie bij ons thuis iets wil leren over focus, hoeft geen mediastudies te hebben gevolgd. Het volstaat om naar Pim te kijken. Zeven speeltjes liggen verspreid door de kamer. Alles is aanwezig, alles is van hem. Totdat er één onder de bank verdwijnt. Op dat moment bestaat alleen dat ene speeltje nog. De andere zes verdwijnen niet fysiek, maar mentaal. Ze doen niet meer mee. Pim is niet dom, hij is consequent. Zijn wereld vernauwt zich tot wat ontbreekt.
Die hondenlogica duikt de afgelopen jaren opvallend vaak op in het debat over de mediasector. Neem de recente bezuinigingen bij de Washington Post, of ingrepen bij de Nederlandse publieke omroep. Steeds weer klinkt dezelfde reflex: dit is funest voor de democratie. Dit is het moment waarop de journalistiek instort. Dit is het begin van het einde.
Het is een overtuiging die met grote stelligheid wordt verkondigd, vaak door mensen die zichzelf als hoeders van het publieke debat beschouwen. Maar het is ook een overtuiging die sterk doet denken aan Pim onder de bank: de aandacht fixeert zich op wat verdwijnt, en vergeet wat er al is.
Dat er bij grote redacties wordt gesneden, is geen nieuws. Dat sommige titels krimpen of verdwijnen evenmin. Maar de suggestie dat daarmee de democratische informatievoorziening als geheel op omvallen staat, miskent de werkelijkheid waarin burgers zich vandaag bewegen. Nooit eerder waren er zoveel bronnen, kanalen en perspectieven beschikbaar. Internationale media, gespecialiseerde platforms, onderzoekscollectieven, podcasts, nieuwsbrieven, lokale initiatieven, onafhankelijke journalisten met een wereldwijd bereik — ze zijn er, en ze worden gebruikt.
Dat maakt het medialandschap niet per definitie beter of overzichtelijker. Wel complexer. En juist die complexiteit lijkt veel experts ongemakkelijk te maken. In plaats van die werkelijkheid onder ogen te zien, wordt teruggegrepen op een vertrouwd schema: zonder grote instituties, zonder massale redacties, zonder centrale poortwachters is de democratie kwetsbaar. Alsof het publieke gesprek alleen kan bestaan binnen de contouren van de twintigste eeuw.
De publieke omroep speelt daarin een bijzondere rol. Niet omdat zij onmisbaar zou zijn voor het bestaan van een geïnformeerd publiek, maar omdat zij jarenlang gewend is geweest het middelpunt te zijn. Wanneer daar nu wordt gesneden, ontstaat onmiddellijk het gevoel dat “alles” wordt geraakt. Alsof de bank de hele kamer is.
Maar net als bij Pim klopt dat beeld niet. Dat er minder geld is, betekent niet dat er geen informatie meer circuleert. Het betekent hooguit dat sommige vormen verdwijnen of verschuiven. De vraag is niet of burgers nog worden geïnformeerd, maar of zij leren omgaan met een overvloed aan informatie zonder zich te laten gijzelen door één ontbrekend speeltje.
Daar wringt het debat. In plaats van burgers te helpen om de hondenlogica te weerstaan — om overzicht te houden, bronnen te wegen, perspectieven te vergelijken — blijven we hen vertellen dat zonder een specifiek instituut of budgetlijn de democratie ophoudt te bestaan. Dat is niet alleen weinig overtuigend, het is ook gemakzuchtig.
Pim leert ons iets anders. Focus is krachtig, maar ook beperkend. Wie zich vastbijt in wat verdwijnt, verliest zicht op wat er nog is. De mediasector staat onder druk, ja. Maar dat is iets anders dan instorten. Wie dat verschil niet meer ziet, kijkt niet naar het hele speelveld — maar staart onder de bank.
