achtergrond

Niets is goed genoeg voor televisie

Het boek, De man achter het scherm, is geen biografie maar een ‘loopbaangeschiedenis' zoals De Leeuw het noemt. Dat neemt niet weg dat je als lezer De Vries goed leert kennen, want zijn werk wàs voor een belangrijk deel zijn leven. De Vries beheerste alle aspecten van televisie, van techniek tot en met regie. Liefde voor het medium was de drijfveer achter vrijwel alles wat hij ondernam. ‘Voor hem kwam in televisie alles samen', zegt De Leeuw. ‘Zijn belangstelling voor techniek, zijn ruimdenkendheid en zijn getalenteerde cameraoog. Dat verklaart, denk ik, die oerbezetenheid voor dat ene medium.'

Dat De Vries al jong bij de ontwikkeling van de televisie betrokken raakte, lag eigenlijk niet erg voor de hand, vindt De Leeuw. ‘Hij kwam in 1930 bij het NatLab van Philips, direct van de HBS. Dat was opmerkelijk, want bij het NatLab werkten geen mensen zoals hij, je moest minstens ingenieur zijn. Maar in zijn sollicitatie had hij een perspectief geschetst dat wel paste bij Philips. Het bedrijf was niet verzuild, het was niet katholiek, ook al zat het in Eindhoven. Het ging om technologie, vooruitgang en De Vries kwam uit zo'n milieu.'

De Vries gaf in zijn open sollicitatie onder meer aan dat hij grote belangstelling had voor radio en grammofoon, apparaten die hij ook zelf in elkaar had gezet. Hij kon bij Philips technische proefnemingen op radiogebied gaan doen. Toen in de eerste helft van de jaren dertig serieuze proeven met televisie begonnen, was De Vries er als de kippen bij. In 1935 maakte hij met een elektronische camera, een iconoscoop, de eerste televisiebeelden in Nederland.

 

Experimenten

De Vries kreeg onder meer de leiding over de eerste grootschalige, openbare demonstratie van het nieuwe medium in Nederland, in maart 1938. Hij had daarvoor een programma gemaakt, want de technicus had zich inmiddels ontwikkeld tot cameraman, programmamaker en regisseur. ‘Hij was de eerste die zag dat televisie meer was dan alleen techniek. Dat het een cultureel medium was en dat je alleen dan communiceert met kijkers.'

De Vries zou tot eind 1939 bij Philips blijven, maar hield ook daarna nauwe banden met het bedrijf. De Leeuw: ‘Hij was in 1939 ontslagen, omdat er geen werk meer voor hem was. Maar hij was er nooit bitter over, het was een familie.' De Tweede Wereldoorlog bracht De Vries hoofdzakelijk door in Japanse gevangenkampen in het toenmalige Nederlands-Indië, waar hij na enige omzwervingen was beland. Toen Philips na de oorlog weer met televisie ging experimenteren, haalde het bedrijf De Vries opnieuw binnen.

Inmiddels waren de omroepverenigingen bij de experimenten betrokken. Philips leverde de techniek en leende De Vries uit aan de nieuw opgerichte NTS om programma's te maken en mensen op te leiden. In 1953 kwam een einde aan de experimentele fase en ging de tv echt van start. Maar De Vries was niet welkom in Hilversum. ‘Het was een enorme klap dat de NTS hem niet in dienst wilde nemen', vertelt De Leeuw. ‘De Vries was een vreemde eend in de bijt. Hij kwam van de industrie en had zijn blik naar buiten gericht, terwijl de omroepen toen juist heel erg naar binnen keken. Er heerste angst. Dat hij niet werd aangenomen bij de NTS vond hij een aanval op zijn deskundigheid. Hoe konden ze in Hilversum er nou voor kiezen om te werken met regisseurs die nauwelijks ervaring hadden, terwijl er zo iemand was als hij? Dat kon hij niet begrijpen. Andere regisseurs hadden maar een paar uurtjes televisie gemaakt en De Vries had daar ook nog bij gestaan om te zeggen hoe ze het moesten doen. Hij had zelf al meer dan tweehonderd uitzendingen gemaakt voor Philips. Zelfs de verzuilde pers was geschokt dat De Vries geen contract had gekregen, dat het omroepbelang boven het televisiebelang was geplaatst.'

De Vries maakte een moeilijke periode door, afgesneden van het medium waaraan hij zijn hart had verpand. Hij boorde zijn enorme kennissenkring aan, en kon uiteindelijk voor de UNESCO naar Costa Rica om te proberen de televisie daar van de grond te krijgen. Dat mislukte dankzij politieke spelletjes en conflicterende belangen, waar De Vries weinig oog voor had. Soortgelijke ervaringen deed hij later op met de ontwikkeling van televisie in Suriname en de Nederlandse Antillen. ‘Hij was in sommige opzichten naïef', zegt De Leeuw. ‘Hij dacht: als ik geloof in dat medium, dan overtuig ik anderen ook wel. Maar hij stuitte vaak op grenzen en bezwaren. Mensen die zoals hij vooruitdenken, worden vaak maar door weinigen gevolgd. Zeker als je te maken krijgt met een vaste structuur zoals het Nederlandse omroepbestel.'

 

Betekenis

‘Ik denk dat De Vries graag een vaste baan als regisseur bij de NTS had gehad', constateert De Leeuw. ‘Ze hadden hem de ruimte kunnen geven. Juist de programma's die hij in de experimentele fase bij de NTS had gemaakt, kwamen bij de evaluatie als beste naar voren.' Dat zou in de tweede helft van de jaren vijftig opnieuw blijken, toen hij voor de VARA de alom geprezen en populaire serie Pension Hommeles maakte. Intussen was De Vries als regisseur aan een andere Hilversumse zendgemachtigde verbonden, de IKOR (later IKON). Een agnost bracht de eerste kerkdienst op televisie, en maakte er furore mee. De Leeuw: ‘Wim Koole van de IKOR nam De Vries mee naar het buitenland als daar over kerkdiensten op tv werd gepraat. IKOR liep door De Vries op dit punt voorop in de wereld. Wat De Vries had gedaan was prachtig, dat was de manier waarop je een kerkdienst in beeld bracht.'

De autodidact De Vries was later nog betrokken bij de oprichting van Teleac, regionale en lokale televisie, de ontwikkeling van kleurentelevisie en HDTV.

Die grote veelzijdigheid is kenmerkend, vindt De Leeuw, en vormt zijn betekenis voor de Nederlandse televisie. ‘Ik denk dat door zijn toedoen de televisie sneller van de grond is gekomen in Nederland dan anders was gebeurd. Als Philips die demonstraties niet had kunnen doen met echte inhoud, dan was men niet zo geprikkeld om de televisie vorm te geven. Hij heeft veel als eerste gedaan. Hij was de eerste die een sportprogramma maakte bijvoorbeeld, een actualiteitenrubriek deed bij Philips, cabaret, alles. Hij had al nagedacht over een programmaschema, heeft veel mensen opgeleid. Hij was zeer veeleisend, niets was goed genoeg voor televisie. En hij was ontzettend creatief, had een groot netwerk, zat met zijn vrouw Hans Snoek, de oprichtster van het Scapinoballet, midden in het culturele leven. Hij was heel praktisch. Hij kon kijken, hij kende de techniek van de camera en heeft de rest allemaal zichzelf geleerd door het gewoon maar te doen.'

Zijn werk was zeer vooruitstrevend en modern, vindt De Leeuw. ‘Ook zijn praatprogramma's. Die waren zo mooi in beeld gebracht, dat had echt een toegevoegde waarde. Het versterkte de relatie tussen wat er gebeurde en de kijker. Hij maakte prachtige artistieke plaatjes, zonder dat dat de overhand kreeg, want het was wel dienstbaar aan de inhoud. Hij wist hoe je betekenis kon geven aan het beeld. Hij begreep het totaalbeeld van alles wat er bij goede televisie komt kijken. De uitzending, het programmaschema, de mensen achter de schermen, de culturele infrastructuur, al die niveaus kon hij aansturen en bij elkaar brengen.'

 

Bas Nieuwenhuijsen

Foto: Beeld en Geluid

De man achter het scherm van Sonja de Leeuw is verschenen bij uitgeverij Boom, Amsterdam.