Columns

Kijne: IJs

De mooiste zinnen stonden in De Volkskrant van donderdag 9 februari, de ochtend na de onheilstijding:
‘Aan de voorbereidingen ligt het niet. Een legereenheid rukte uit om het Slotermeer sneeuwvrij te krijgen, om het ijs meer kans te geven. Psychiatrische patiënten in Franeker zijn uit de dagbesteding gehaald, schop in de hand en sneeuwruimen maar. De Bonkevaart is dinsdag al met vijftig man op orde gebracht. ‘Van de sociale werkplaats’, zegt een mevrouw. ‘Een prachtig gezicht.’’

Ga even na:
Onze jongens van de bijna wegbezuinigde landmacht staan niet uit protest tegen het hun aangedane onrecht met getrokken wapens tegenover de ME in Den Haag, zoals in een onbeschaafd land als , pakweg, Brazilië zou gebeuren.  Nee, tussen twee missies in Kunduz door proberen ze behalve de wereldvrede ook het ijs te redden.
Terwijl de financiering van de geestelijke gezondheidszorg  wordt afgebroken, en psychiatrische patiënten dus alle reden zouden hebben deze insult op injury aan te grijpen om er nu definitief een eind aan te maken, gaan ze welgemutst  het hele stuk tussen Ried en Dongjum schoonvegen.

Nadat de regering er de afgelopen tijd alles aan heeft gedaan om deze meest humane vorm van werkverschaffing de nek om te draaien, zakken de mannen en vrouwen van de sociale werkplaats niet weg in depressieve zware shagwolken op de doorgezeten tweezitter, maar schuiven de finishlijn van de Tocht der Tochten schoon.

Zeg ‘ijs’ en het beste in ons komt boven.

Nou ja, het beste.

Er zijn al heel wat zurige woorden gewijd aan de hoeveelheid zendtijd die de publieke omroep in de week voorafgaand aan de Persconferentie van 8 februari heeft besteed aan de Elfstedentocht. Dus dat ga ik niet meer doen. Beter dan weer eens  collega’s te bekritiseren, of nog eens lollig te doen over de truien van Tijs en Jeroen en  de hoeveelheid idiote ijsmutsen die ik in een week voorbij heb zien komen, leek het me de moeite waard de Operatie Elfstedentocht eens nuchter te analyseren.

Ik ben tot de volgende conclusies gekomen:
Het gaat nog steeds verschrikkelijk goed in Nederland. Er is hier zo weinig aan de hand, politiek en maatschappelijk, dat we , wanneer er iets gebeurt, volkomen de journalistieke kluts kwijtraken. Je ziet het vaker gebeuren, of het nu een vuurwerkramp is of een brand op een chemische fabriek, of een existentiële kwestie als het al dan niet doorgaan van de Elfstedentocht, zodra we denken dat het werkelijk ergens over gaat slaan we volledig op hol. De hele wereld wordt aan de kant geschoven  -wat nou Syrië? Hoezo Griekenland? Iran, waar ligt dat? – alle verloven worden ingetrokken, zendschema’s die zelfs bij het uitbreken van de wereldbrand nog in beton gegoten zijn, worden rücksichtslos uiteengerafeld.

Godzijdank, er gebéurt iets!

Maar ja, wie veel heeft, heeft ook veel te verliezen. Juist onze tomeloze welvaart en het feit dat alles hier zo verschrikkelijk goed geregeld is vergeleken bij vrijwel de hele rest van de wereld, maakt dat het crisisnieuws van de afgelopen jaren ons doods- en doodsbang heeft gemaakt. We worden er massaal depressief van, zijn niet meer in staat om te gaan met het perspectief van wellicht een ietsje minder luxe leventje. En dus zijn we helemaal door het dolle als er weer eens iets leuks gebeurt. De collectieve opluchting was verbijsterend.

En tenslotte is er in Hilversum nog steeds maar één ding belangrijk: de volksgunst. Of het ons er  nu om gaat te bewijzen dat we echt geen links elite-clubje zijn maar heus een omroep van en voor iedereen,  of om de kijkcijfers – en vermoedelijk gaat het om allebei -, zodra we het vermoeden hebben dat ijs is wat de kijker wil zien, krijgt hij ijs tot hij gillend naar een tropisch eiland vlucht.

Want wij zijn ook doodsbang geworden.

En dat maakt ons toch anders dan de militairen, de psychiatrische patiënten en de sociale werkplaatsers waarmee we zo gebroederlijk op het ijs stonden.

Zij stonden er juist in weerwil van de bezuinigingen.

Wij toch niet helemaal.

En nu ga ik schaatsen.