Het is moeilijk te zeggen wat de leukste scene is. Het zou die kunnen zijn waarin de held van de film, media-journalist David Carr van de New York Times, een interview heeft met de makers van Vice-magazine, een rebels en ultra-hip tijdschrift annex internet-outlet dat net een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het brave en main-stream CNN.
Op zeker moment komt ter sprake dat één van de Vice-redacteuren in Liberia een filmpje heeft gemaakt over kannibalisme. Waarover hij zegt: ‘Iedereen daar sprak over kannibalisme. Dus daar gaat mijn filmpje dan over. En ik lees al jaren de New York Times en dan gaat het altijd keurig over de verschillende partijen, en de gevechten, en de slachtoffers, de vrouwen en kinderen, maar nooit over kannibalisme, dus ….’
Nog voor hij zijn zin kan afmaken ontsteekt Carr in grote woede en bijt de man toe: ‘Wij hebben al vijftien jaar reporters op de grond in Irak en Afghanistan die dagelijks hun leven wagen om types zoals jij geïnformeerd te houden. Dus hou je stomme kop en waag het niet af te geven op onze verslaggeving’.
Daarna stelt hij rustig zijn volgende vraag.
Nog nooit iemand zo zien interviewen.
Een ongelooflijk fenomeen, David Carr. Voormalig multi-verslaafde, achttien jaar half of helemaal in de goot gelegen en uiteindelijk toch nog een prachtige carrière bij de New York Times. En nu dus de hoofdrolspeler in een must-see-documentaire voor iedereen die geïnteresseerd is in journalistiek: Page One, Inside the New York Times.
In die film volgt regisseur Andrew Rossi gedurende langere tijd de mediaredactie van de Oude Dame in New York en dat is op zich al een briljante gedachte; we krijgen zodoende een beeld van het gevecht waar de krant, samen met ons allemaal van de ‘oude media’, in gewikkeld is: dat met de stortvloed aan gratis informatie op het Internet. En dat beeld krijgen we mede door de ogen van de verslaggevers van de beste krant van de wereld die voor hun eigen krant verslag doen van datzelfde gevecht.
Een driedubbel Blooker-effect, fantastisch gedraaid, briljant gemonteerd. Een feest van een documentaire.
Want misschien is dit wel de leukste scene. David Carr wordt bijgepraat door zijn jongere collega, Brian Stelter, een voormalig blogger die ze bij de krant zo goed vonden dat ze hem in dienst hebben genomen. Over wie hij in een terzijde zegt: ‘Af en toe denk ik dat Brian een robot is die ze hier in de kelder in elkaar hebben geschroefd om mij te vernietigen ‘. Refererend aan het feit dat de jonge hond kan bloggen, twitteren en chatten tegelijk en dan ook de volgende dag nog een briljant stuk voor de voorpagina blijkt te hebben geschreven.
Maar dit terzijde. In de scene die ik bedoel toont Stelter zijn oudere collega de zojuist verschenen eerste iPad en laat hem zien hoe de webpagina van de New Yok Times er op dat hebbeding uitziet.
Carr: ‘Geweldig lees-apparaat. Weet je waar het me aan doet denken?’
Stelter: ‘Nee’.
Carr: ‘Een krant.’
Ik ga niet kiezen en ik kan niet kiezen. Want dan gaat dat ook ten koste van de scenes waarin Carr de mensen van de Tribune-company onder vuur neemt, het media-conglomeraat dat onder meer de LA-Times en de Chicago-Sun uitgeeft en door een paar anti-journalistieke patjepeeërs in no time de afgrond in wordt gereden. Of die waar hij in een forumpje een collega van een Nu.nl - achtige website laat zien wat er van zijn voorpagina overblijft wanneer alles er uitgeknipt wordt dat gepikt is van de New York Times en andere oude media.
Niets.
De film geeft geen antwoord op de vraag hoe dit existentiële journalistieke gevecht gaat aflopen en hoe de oude media daar uitkomen. Maar wat dat betreft sluit ik me aan bij wat Carr over zijn krant zegt:
‘Wij werken volgens een bepaald systeem en ja, dat brengt een zekere stugheid en traagheid met zich mee. Dat kan je wegzetten als iets archaïsch en belachelijks in de 24-uurs nieuwscyclus. Maar ik denk dat het heel belangrijk is dat er een vrij grote organisatie bestaat die regelmatig zegt: ‘Ho, wacht even , niet te snel…’
Page One, mijn IDFA-tip.