Een paar jaar geleden merkte ik voor het eerst hoe schadelijk het begon te worden. Het was in de hoogtijdagen van het integratiedebat.
Nou ja, debat.
Het was de tijd waarin de journalistiek net zo hard schrok van Fortuyn als de politiek. Waarin we ons allemaal door het nieuw opgekomen volksgevoel - of degenen die in die optocht voorop gingen lopen - in een hoek hadden laten blaffen. De tijd waarin iedere genuanceerde mening of benadering van de immigratiekwestie ook bij onszelf voortdurend meteen in de kwade reuk stond van de jarenlange vergoelijking en ontkenning van wat inmiddels het multiculturele drama was gaan heten.
Hoort u er nog wel eens wat van, van dat drama, anders dan van Ome Geert en zijn gedoogkameraden? Maar dit terzijde.
Het gebeurde in die dagen dat ik een goede kennis sprak. Een bedachtzaam man, jurist, die lang in verschillende islamitische landen had gewoond om zich te scholen in kennis van het islamitisch recht. Hij was, in die dagen van de keizers Fortuyn en Van Gogh, een graag geziene media-gast. Maar iedere keer wanneer hij door een programma werd uitgenodigd om te komen uitleggen dat de sharia meer om het lijf had dan de vuistregel om iedere kleine gauwdief terstond de vuist af te hakken, werd hij in de studio geconfronteerd met een opponent.
En mijn goede kennis was niet bang voor discussie.
Maar, zei hij, het moet dan ook allemaal in vijf minuten, en mijn opponenten weten vaak van niks, maar kunnen wel heel hard schreeuwen. En mijn verhaal is nu eenmaal ingewikkeld. En dat verhaal kan ik nooit meer vertellen. Dus ik doe het niet meer.
Ik schrok daar een beetje van. Want ik wist precies waar hij het over had. Omdat ik zelf ook dagelijks in aanraking kwam met de nieuwe mode van de confrontatiejournalistiek.
Bij ieder onderwerp - en zeker wanneer het ging om dat zogenaamde integratie-, immigratie-, islam- , of hoe je dat gooi-alles-maar-op -een-hoop - debat van de laatste jaren ook wilt noemen - mompelde iemand bangig, nadat er een verstandige en ter zake kundige gast was uitgenodigd: 'Maar daar moeten we dan wel iemand tegenover zetten.'
Ja, stel je voor zeg, we zouden iemand die een ingewikkeld en genuanceerd verhaal te vertellen heeft eens ongestoord uit laten spreken. Zouden we mooi klaar mee zijn. Nee, als we niemand konden vinden om er verontwaardigd en ongeïnformeerd doorheen te toeteren, zouden we hem of haar toch op zijn minst zelf tegen de muur moeten blaffen.
En dan werd Arend Jan Boekestijn weer gebeld. Want anders waren we dhimmi's. Of, misschien nog erger: links. En spannende radio was het al helemaal niet, zo'n ingewikkeld verhaal zonder tegenspraak.
Recentelijk wilde minister Schippers van Volksgezondheid niet bij Pauw en Witteman verschijnen wanneer ze daar zou moeten discussiëren met een huisarts. En Jolande Sap wilde in hetzelfde programma niet in debat met Natalie Righton van de Volkskrant over Kunduz. En natuurlijk geeft dat geen pas en moet een politicus altijd het lef hebben om zich te verantwoorden ten overstaan van geïnformeerde kritiek . En uiteraard is het een schande dat men dat soort voorwaarden stelt. En nog een grotere blamage dat we er nog op ingaan ook.
Maar…
Zou het nuttig zijn wanneer we zelf ook weer eens gingen nadenken over de balans tussen confrontatie-journalistiek en informatieve waarde? Tussen de noodzaak om spannende radio en televisie te maken en de plicht om onze kijkers en luisteraars werkelijk te informeren? Tussen, kortom, info-tainment en journalistiek?
Natuurlijk: politici, andere hoogwaardigheidsbekleders, publieke figuren as such, eigenlijk iedereen die weleens binnen twee meter afstand van een mediatrainer is geweest: ze verdienen niet beter dan dat we proberen achter hun verdedigingslinie van gladde praatjes te komen.
Maar wat weten we nu eigenlijk meer over Peter R. na dat hanengevecht? Of over Marine Le Pen? Of over iedereen waar Jan of Prem doorheen hebben zitten roepen? Of over ieder ingewikkeld beleidsterrein waarover in zeven minuten drie tegengestelde meningen door elkaar zijn getoeterd?
Maar wel fijne kijkcijfers natuurlijk.