Columns

Römer: Circus Kafka

Ik wil het met u hebben over de slavernij. En dan bedoel ik niet mijn werk dat ik dagelijks ten kantore van de NPO geacht wordt uit te voeren. Ik doel op de televisieserie.  Niet alleen de indrukwekkende serie die nu zondags op N2 te zien valt, maar ook de niet minder indrukwekkende juniorserie die tegelijkertijd loopt op Z@pp. Het heeft lang geduurd, maar eindelijk is er dan overvloedig aandacht op en in de media voor een onderwerp dat in Nederland te lang onder het tapijt is geschoven. Het is goed en volwassen dat we dit onderwerp eindelijk zo durven aan te kaarten. Veel te laat, ik weet het, maar toch. Mij gaat het er niet om vast te stellen of wij Nederlanders ons nu als schurken hebben gedragen of juist niet. Mij gaat het erom dat we er nu openlijk en vrijuit  over kunnen praten. Met elkaar. Nazaten van slaven en nazaten van slavenhandelaren en van al die anderen die er bij stonden en niets deden. De meerderheid overigens, zoals altijd.

Het gaat niet om verwijten, het gaat om erkenning. Over en weer. Van dat wat we hebben gedaan en van dat wat we hebben nagelaten. Alleen de dialoog kan leiden tot volledige acceptatie en wederzijds begrip. Acceptatie en begrip, twee waarden die in het moderne Nederland gruwelijk aan erosie onderhevig lijken. We hebben de Algemene Beschouwingen net achter de rug en daarmee weer een actuele benchmark. Het oer Nederlandse credo ' doe maar normaal dan doe je gek genoeg ' is nu ook daadwerkelijk tot op het allerhoogste niveau doorgedrongen en uitgesproken. Gek genoeg had het op mij alleen een tegengesteld effect. Er werden geen opgeblazen pretenties gekortwiekt, maar slechts algemeen fatsoen. En dat met behulp van een tenenkrommende animale beeldspraak, die tot op de letter werd uitgemeten.  De premier en zijn gedoogmeester stonden zelf voor aap.  En daarmee wij allemaal. Niet iets om trots over te zijn. Het maakt mij wel trots- en ik wil er geen ander woord voor gebruiken – dat de publieke omroep dit soort complexe en maatschappelijk belangrijke projecten als de Slavernij blijft  voortbrengen. Jaar in, jaar uit. Schijnbaar tegen de verdrukking van de oppervlakkige tijdgeest in. Dat bij de publieke omroep nog steeds mensen werken die bereid zijn jaren van hun leven te geven om deze essentiële programma’s van de grond te tillen. Uit de modder te sleuren. Waar in Nederland komt dat nog voor op deze schaal en met deze impact? Laten we daar in vredesnaam zuinig op zijn en niet – onder druk van opportunistische eendagsvliegen - verworden tot een industrie van  gelikte éénhaps crackers.  Dat alles wat schuurt en  moeilijk  is, onder het mom van bezuinigen wordt gladgestreken, weggevaagd.

Dat ik niet overdrijf, bewijst in dezen ook het feit dat het NINSEE ( Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) binnen niet al te lange tijd zijn subsidie gaat verliezen. Dit instituut is al sinds jaar en dag bezig met belangrijk historisch onderzoek, educatieve projecten en museale presentaties met betrekking tot de slavernij en ons slavernij verleden. Belangrijk emancipatorisch werk, in mijn ogen. Zij hebben mede de weg bereid voor series als de Slavernij en Slavernij junior.  En nu na jaren voor het Ninsee eindelijk de oogsttijd lijkt te zijn aangebroken en de weg naar een echt brede discussie lijkt te zijn ingeslagen – op scholen, in huiskamers, op het werk - wordt het geëigende instrument daartoe, het Ninsee dus, kortzichtig afgebroken. En zo wissen we de ene schande uit en zetten die met een ongelooflijke inspanning om in een beter hanteerbare werkelijkheid,  en tegelijkertijd scheppen we een nieuwe schande, die zo mogelijk nog erger is.

Want konden we van de slavernij toen – hoe erg ook - met zwak excuus nog zeggen: ‘we wisten gewoon niet beter’, vandaag de dag kan dat niet meer. Daar komt niemand meer mee weg. We weten beter, maar we doen het gewoon niet. Circus Kafka.