Ik geef het toe: ook ik begon vol van voorpret en van harte bereid tot leedvermaak aan het verhaal, in de Volkskrant van vrijdag 3 september, over de diepe val van Telegraaf-sterverslaggever Martijn Koolhoven.
Daar zou je het hebben: jaren van ergernis over angsthetzerij, vreemdelingenhaat en ranzige journalistiek zouden eindelijk uitmonden in een verhaal van rechtvaardigheid. Eindelijk iemand voor de bijl, de leugen achterhaald, de façade doorgeprikt en het hele frauduleuze binnenste van dat zogenaamd journalistieke bedrijf in het volle licht.
Maar tijdens het lezen begon ik me al snel steeds ongemakkelijker te voelen. Want bij de beschrijving van Koolhoven als een ‘cowboy’, met een enorm en glamourous netwerk waar hij zelf met net iets teveel enthousiasme in opging – als schnabbelaar voor de glossy Miljonair bijvoorbeeld - moest ik denken aan een verhaal dat Jan Blokker mij niet lang voor zijn dood vertelde. Over een vroegere sterverslaggever van De Telegraaf, die zich bij zijn verhalen steevast zelf liet fotograferen in een bloedstrak pak en naast een grote Amerikaan.
‘Dat’, zei Jan, ‘is De Telegraaf. Een cowboy die net niet deugt maar wel geweldige verhalen vertelt, enorm van het leven geniet en zich daar niet voor schaamt. En daar vallen de mensen blind voor. Dezelfde aantrekkingskracht als Pim Fortuyn had.’
Martijn Koolhoven lijkt me de hedendaagse versie van die verpersoonlijking van De Telegraaf, en dus had zijn hoofdredacteur Sjuul Paradijs gelijk toen hij tijdens Koolhovens 25-jarig jubileum zei: ‘Jij bent een van de vaste waarden in onze Telegraaffamilie. Ik kan me een Telegraaf niet indenken zonder Martijn Koolhoven’.
En Sjuul zou dat nu moeten blijven herhalen. Want het is niet ondanks Koolhovens verzonnen schrijfsel over een sm-studio in een Rotterdamse ‘moslimwijk’ dat hij De Telegraaf belichaamt, maar juist dankzij. Dat grensoverschrijden is het handelsmerk van De Telegraaf, de krant zal altijd evenveel hele leugens en halve waarheden verkopen als kranten, want de mensen smelten voor die cowboyjournalistiek.
En dus werd ik heel ongemakkelijk van de hypocrisie waarmee Grote Sjuul zijn familielid nu lijkt te laten vallen. Maar eigenlijk werd ik nog ongemakkelijker van mijn eigen morele zelfingenomenheid. De vanzelfsprekendheid waarmee ik dit onfrisse gehuichel en gedraai wegzette als iets dat aan de andere kant van de streep stond.
Want wat was er nu eigenlijk de dagen voorafgaand aan dit verhaal aan onze kant van de streep gebeurd, de dagen van de Algemene Beschouwingen ?
Ik wil het niet eens hebben over ‘Doe effe normaal-gate’ op donderdag. Dat was een spontaan moment in een belangrijk debat en dus inderdaad domweg een nieuwsgebeurtenis. Ook daar was de balans wel een tikkie zoek natuurlijk, want voorafgaand aan het kleine halfuurtje dat dit akkefietje nam was er een urenlang serieus debat geweest dat in de berichtgeving van die avond op zijn best de helft van de zendtijd kreeg die werd besteed aan de eruptie van de peroxide-politicus. Maar vooruit, er gebeurde ook wel wat.
Maar waar het journalistiek wat mij betreft echt mis ging was in de verslaggeving van het debatje op dinsdagmiddag, de middag van de troonrede. Een debatje waarin Geert Wilders een volkomen doordachte strategie hanteerde door tot vier keer toe Job Cohen weg te zetten als de Grote Gedoger. Een strategie die zowel bedoelde Cohen te beschadigen als te verhullen dat het in werkelijkheid de PVV zelf was die in de gedoogconstructie volledig door de pijp gaat met alle beloften aan Henk en Ingrid.
En wat doen wij? We laten alle vier de momenten voortdurend zien, achter elkaar. Zelfs de volgende ochtend was het weer de opening van het journaal. Dat was me even wat, met die Geert.
En daarmee gingen we volledig mee in de framing van Wilders.
Ik zeg niet dat we het niet hadden moeten uitzenden - al was vier keer misschien een beetje veel - maar er had op zijn minst meteen één uitleg bij gehoord : ‘Kijk, en zo wil Wilders het graag, dat we dit laten zien, want dat leidt de aandacht af van wat echt belangrijk is: al zijn verbroken verkiezingsbeloften.’
En niet alleen in de langere programma’s als Nieuwsuur, maar ook gewoon, keihard, in het Journaal.
Dat moeten we durven.
Zolang we daar niet het lef voor hebben, kan ik gnuiven wat ik wil over de splinter in het oog van Sjuul: onze balk heet Geert.