Vorige maand werd er besloten over de toekomst van de publieke omroep en over de toekomst van de Nederlandse kunstensector. Wat me opviel in die discussie was niet de uitkomst, die stond grotendeels al vast in het regeerakkoord, maar de reacties van zowel voor als tegenstanders van deze bezuinigingen. Zowel bij de podiumkunsten als bij de publieke omroep is het onderwerp van de discussie verschoven van de inhoud naar de infrastructuur.
Bij de omroep wordt er gesproken over een maximaal aantal omroepen, de precieze rol van de NPO, het hebben van internet afdelingen; bij de podiumkunsten wordt er gesproken over het aantal structureel te subsidiëren theatergezelschappen, het voortbestaan van het Theaterinstituut, de verplichting om met voorstellingen te reizen naar de provincie.
Allemaal heel wezenlijk, maar het zijn onderdelen van een systeem. Middelen om een doel te bereiken. Geen doel op zich.
De publieke omroepen zijn in het leven geroepen in een tijd dat zendtijd schaars was en radio het belangrijkste propagandamiddel was in een verzuilde natie. De toneelgezelschappen en hun reisverplichting zijn bedacht in de jaren zestig, toen je het publiek alleen nog maar kon bereiken door het in hun plaatselijke schouwburg op te gaan zoeken.
Maar de tijd staat niet stil. We hebben internet, we hebben allerlei apparaten en platformen waar we op veel meer momenten en op elke plek die we maar willen van audio en video kunnen genieten. We kunnen als omroep of toneelgezelschap een community beginnen en dankzij internet contact houden met onze fans en laten weten waar we te zien of te horen zijn. En als je die belofte waar weet te maken dan weet dat publiek je echt te vinden: we zijn veel mobieler dan vijftig jaar geleden, en gemiddeld gezien ook veel rijker.
Denk maar aan het Oerol festival of aan de Zwarte Cross of aan Pinkpop, voorbeelden van evenementen in uithoeken van dit land waar je prima publiek naar toe kunt krijgen. Joop van den Ende heeft in het Circustheater en in het Beatrixtheater al ruimschoots aangetoond dat je beter het publiek naar het theater kunt halen dan een voorstelling het land in kan sturen. Maar de politieke discussie spitst zich toe op de bestaande gezelschappen en wie er daarvan nog hoeveel geld krijgt. En ondertussen bouwt elke ambitieuze gemeente wel gewoon z’n eigen schouwburg. We hebben wel geld voor de stenen, maar niet voor de programmering.
Niemand vraagt zich ondertussen af wat de functie en waarde van (podium-) kunst in deze maatschappij is. Niemand bedenkt welk deel van die waarde steun van de overheid nodig heeft. En niemand bedenkt hoe je zoiets van nul af aan, met alle moderne middelen, voor het publiek van vandaag, opnieuw zou organiseren.
En bij de publieke omroep is het precies hetzelfde: of het nu twee of drie netten zijn, met vijf of twintig omroepen: de wereld van nu is niet meer die van vijftig jaar geleden. We moeten terug naar de vraag waarom we ooit tot een gesubsidieerde Publieke Omroep zijn gekomen. Welke programma’s of sites komen niet tot stand in een commercieel speelveld? Hoe breng je die het beste bij het publiek? Wat is daar minimaal voor nodig?
Van elke euro die er naar de publieke omroep gaat, gaat nu de helft naar de infrastructuur: de uitzendvoorziening, de omroeporganisaties, heel veel overleguren, coördinatiekosten en afdelingsopperhoofden.
(Ik begrijp overigens dat ik nu in een rap tempo de lezer van dit blad van me aan het vervreemden ben.)
Wat als we dat geld deels zouden kunnen ombuigen naar geld voor producties? Werkelijke productiekosten: journalisten, redacteurs, cameramensen, geluidstechnici. Een dagje langer monteren om het verhaal nog beter te vertellen. En minder geld naar eindeloze vergaderingen, beleidsmedewerkers, assistent-coördinatoren. Minder infrastructuur en meer inhoud.
Waar is de omroepdirecteur met een dergelijk plan? Welke visionaire politicus heeft een alternatief bestel ontwikkeld? Wie gaat er op de zeepkist staan en komt met een beeld van hoe het ook zou kunnen? Met alle middelen van nu, voor het publiek van nu.
Niemand. Niet echt, tenminste.
Iedereen, ook de grootste toneel- of omroepliefhebber, voelt dat een verandering van het systeem noodzakelijk is. Ik vermoed dat de lauwe protesten tegen de bezuinigingen daar ook mee te maken hebben. Maar de huidige verandering is visieloos, niet duurzaam en gericht op infrastructuur, niet op inhoud.
Duurzame verandering ontstaat alleen als je het oude achter je durft te laten. Ik ben er klaar voor. Wie doet er met me mee?
David Linssen is Directeur Innovatie en Business Development bij DutchView. Hij schrijft deze column op eigen titel. Kijk ook naar de ParkViews, een overzicht van de ontwikkelingen in het medialandschap: http://bit.ly/parkviews.