Hoe ver sommige politieke partijen de publieke omroep ook willen terugsnoeien, er is geen discussie over de vraag of culturele programmering tot de kerntaken van Hilversum behoort. Samenwerking tussen publieke omroepen en culturele instellingen is al jaren oud en ligt ook voor de toekomst voor de hand. Toch zitten er wel wat haken en ogen aan.
Publieke omroepen en culturele organisaties hebben veel gemeenschappelijke kanten. De omroep is zelf een cultuurproducent van formaat, culturele instellingen bewegen zich vaak op het mediavlak en beide werelden drijven op overheidsgeld. Het zijn op het oog natuurlijke samenwerkingspartners, die elkaar kunnen versterken, met als bonus een optimale inzet van publieke middelen. En zo gebeurt het ook vaak. ‘Iedereen wil het’, constateert Bart Soepnel, hoofdredacteur Kunst & Cultuur van de NPS, de omroep die cultuurprogrammering zelfs als wettelijke taak heeft. ‘Het is jammer dat er beperkingen bestaan.’
Soepnel is niet de enige die dit vindt. De publieke omroep, het ministerie van OCW en de Cultuurformatie hebben inmiddels twee werkconferenties georganiseerd over samenwerking tussen omroepen en de culturele wereld.
Knelpunt
In principe zijn samenwerkingsprojecten op drie manieren te beschouwen, waarbij essentieel is hoe de verhoudingen tussen de betrokken partijen liggen. Als de inbreng van de omroep bijeen samenwerking het grootst is, dan kan het een nevenactiviteit zijn. Is de inzet van de andere partij overwegend, dan gaat het om sponsoring van een programma. En als de partijen elkaar in evenwicht houden, wordt het project gezien als een publiek private samenwerking. Voor alle drie de mogelijkheden gelden verschillende regels.
Die wetgeving wordt vaak gezien als een belangrijk knelpunt. Volgens het Commissariaat voor de Media, dat toeziet op de naleving van de Mediawet, valt dat eigenlijk wel mee. Projecten lopen eerder stuk op verschillen in de belangen van de deelnemers en het feit dat culturele instellingen iets maken dat niet primair voor televisie of radio is bedoeld, concludeerde het Commissariaat vorig jaar uit een consultatie van ‘het veld’.
‘Maar als er onduidelijkheid over de regels rond bijvoorbeeld publiek private samenwerking bestaat, is het onze taak om partijen beter voor te lichten’, zegt Madeleine de Cock Buning, één van de drie commissarissen. In april dit jaar zette ze zich vast schrap onderweg naar de IJ-Kantine in Amsterdam, waar de tweede werkconferentie werd gehouden, want ze hield er rekening mee dat zij zou worden aangewezen als spelbreker die mooie projecten torpedeert. Dat liep anders. Gewapend met een korte cursus mediarecht voor samenwerkingsprojecten legde ze uit hoe de vork aan de steel zat en oogstte begrip. ‘Culturele instellingen zijn op grond van de marktdefinitie van de NMa particuliere ondernemingen, ook al worden ze vaak gesubsidieerd. Als omroepen met particuliere ondernemingen samenwerken, heeft dat impact op de markt. Het is geen hobby van het Commissariaat om voor publiek private samenwerking obstakels op te werpen. Maar projecten mogen de instellingen die bij de samenwerking betrokken zijn niet te zeer bevoordelen ten nadele van organisaties die er niet aan deelnemen. Als je dat goed aan de omroepen uitlegt, snappen ze dat. Zij willen zelf helemaal niet marktverstorend werken.’
Soepnel beaamt dat en ziet het Commissariaat niet als tegenstander. ‘Bij ons gaat het altijd om de inhoud, en we maken onze eigen keuzes. We maken niet een programma omdat bijvoorbeeld een concertorganisatie dat wil, maar omdat het past in ons inhoudelijke pakket. Het is goed dat het Commissariaat toezicht houdt, anders zouden er misschien dingen worden geregeld op een manier waarvan we allemaal vinden dat het niet de bedoeling is. Ons doel is programma’s maken en het publiek bereiken, we hebben geen commercieel doel, we zijn geen ticketbureau.’
Gelijkwaardigheid
Van de drie mogelijke manieren om samen te werken, zijn nevenactiviteiten en sponsoring voor de omroepen doorgaans bekend terrein. Minder duidelijk vindt men de regels voor publiek private samenwerking. De partners moeten onder meer aannemelijk maken dat er sprake is gelijkwaardigheid. ‘Dat is in de praktijk lastig’, vindt Soepnel. ‘Om te beoordelen of de samenwerking gelijkwaardig is, moet je de inbreng van de één en van de ander op geld waarderen. Soms is dat goed te doen. Samenwerking met bijvoorbeeld De Nederlandse Opera is geen probleem. Zij stellen de voorstelling ter beschikking, wij betalen de registratie. Dat is redelijk gelijkwaardig. Maar neem nou de Avond van het Boek en de Grote Geschiedenisquiz. Daarin werken we redactioneel samen met NRC Handelsblad en de Volkskrant. De krantenredacties praten en denken mee, en hun redacteuren zitten in de uitzending. Ze brengen dus inhoudelijke kennis in. Als het om een publiek private samenwerking gaat, zou dit gelijkwaardig moeten zijn aan onze inzet. Maar dat is niet zo, want wij verzorgen de hele uitzending. Is het dan een nevenactiviteit? Nee, want het uitzenden van een televisieprogramma behoort tot onze hoofdtaak.’
Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid speelt overigens niet alleen geld een rol, benadrukt De Cock Buning. ‘We kijken ook naar bijvoorbeeld personele en immateriële input. We zijn geen muggenzifters die alles op een goudschaaltje wegen, maar kijken naar de kern van de samenwerking.’
Bewegend doel
De Cock Buning onderstreept het belang van overleg tussen partners en toezichthouder. ‘We hebben een brochure gemaakt waarin de wetgeving wordt uitgelegd, en we zijn graag bereid mee te denken op hoofdlijnen, waarbij partijen kunnen aangeven met welke vragen zij zitten. De partners zelf raad ik aan van tevoren goed na te denken over wat ze willen. Als ze kiezen voor publiek private samenwerking moeten ze die goed doordenken en vooraf een begroting maken, als een hulpmiddel om duidelijk te krijgen of hun inbreng gelijkwaardig is.’
Daar schuilt overigens wel een addertje onder het gras. Door de omvang en de duur van projecten kunnen de onderlinge verhoudingen tussen de partners veranderen. Soepnel kan er moeiteloos een voorbeeld van geven. ‘We zijn aan het praten over een samenwerking tussen Het Klokhuis en het Nationaal Historisch Museum rond de Canon van Nederland. Dat is een complex project van meer dan drie jaar. We kunnen nu nog niet goed overzien hoe zich dat ontwikkelt.’
‘Het is in zekere zin schieten op een bewegend doel’, erkent De Cock Buning. Ze wijst erop dat publiek private samenwerkingsprojecten na drie jaar moeten worden geëvalueerd, zodat onder meer kan worden vastgesteld of er nog sprake is van gelijkwaardigheid.
Ruimte
Soepnel zou voor samenwerkingsprojecten graag meer armslag willen. ‘Dan bedoel ik geen extra ruimte voor commerciële activiteiten, maar meer ruimte om met culturele organisaties te werken en zo nog betere programma’s te maken.’ De regelgeving mag van hem eenvoudiger en flexibeler worden, zodat omroepen slagvaardiger kunnen handelen. ‘Je moet soms snel beslissen. Dat kan nu niet altijd.’
De Cock Buning ziet dat anders. ‘Veel eenvoudiger kan het binnen het huidige kader niet. Rond nevenactiviteiten was er vorig jaar wel vertraging. Voor nevenactiviteiten moet je vooraf toestemming vragen bij ons, en we hadden door een stortvloed van aanmeldingen een achterstand bij de beoordeling daarvan. Maar die is inmiddels weggewerkt. Het kost nu maximaal de bestuursrechtelijke acht weken om toestemming voor een nevenactiviteit te krijgen. We hebben de nevenactiviteiten ingedeeld in clusters, en de procedure kan korter zijn, als het een activiteit betreft die eerder in een bepaald cluster is bekeken. Dat levert de nodige flexibiliteit op. Ook aanmeldingen voor gelijkwaardige samenwerking handelen we zo snel mogelijk af, soms zitten partijen zelf ook nog in een verkennend stadium wanneer ze bij ons komen. Dan kan het de omroep wat meer tijd kosten om de exacte inhoud van de samenwerking uit te werken.’
Haar opmerkingen betekenen overigens niet, dat het Commissariaat nergens over wil nadenken, geeft ze aan. ‘Wij zouden bijvoorbeeld nog eens kunnen kijken naar de definitie van het begrip ‘culturele instelling’ en wat daar wel of niet onder valt. En naar de toetsmomenten. Want ook wij hebben oog voor de dynamiek van het samenwerkingsproces.’
Bas Nieuwenhuijsen