achtergrond

‘Wat vroeger Telegraafjournalistiek werd genoemd, is gewone journalistiek geworden’

Met bloemen, veel aardige woorden en een ridderorde werd hij vorige week bij Met het Oog op Morgen uitgeluid. Henk van Hoorn heeft zijn 45-jarige omroeploopbaan afgesloten. ‘Je hebt heel wat frustrerende baantjes in Hilversum.’

Nee, hij kan zich niet herinneren een premier of minister ooit met ‘excellentie’ te hebben aangesproken. Dat deden ze bij Den Haag Vandaag niet, zelfs niet in de vroege jaren zeventig toen bewindslieden nog gewend waren met ontzag te worden benaderd. Henk van Hoorn (65) droeg nooit een pak als hij gezagsdragers interviewde. En al helemaal geen das. ‘Dat heeft me bijna mijn baan gekost’, bekent de omroepveteraan, die in die dagen ook uit de toon viel door zijn vasthoudende en scherpe manier van ondervragen.

Die stijl leidde zelfs tot vragen in de Tweede Kamer: mocht de objectieve NOS wel zo te werk gaan? ‘Er was aldoor gezeik’, vertelt Van Hoorn. Steeds als hij een politicus het vuur na aan de schenen had gelegd, vielen zijn bazen in Hilversum hem lastig over zijn kleding. Hij kreeg daar zo genoeg van dat hij ‘bekijk het maar’ riep, toen hij weer eens gevraagd werd bij de Haagse rubriek als presentator in te vallen. Gevolg: een officiële berisping. Van Hoorn moest verschijnen voor een commissie van drie, voorgezeten door Jan de Troye, de programmacommissaris van de NOS.

 

Geëffend

Tijdens die zitting moet het pad zijn geëffend voor de openstaande boord binnen de omroep. ‘Daarna heb ik nauwelijks gedonder meer gehad’, grijnst Van Hoorn, die 30 juni zijn laatste Met het Oog op Morgen presenteerde. Een omroeploopbaan van 45 jaar, begonnen bij AVRO’s Radiojournaal, heeft hij afgesloten, nadat hij in 2004 al was gestopt als hoofdredacteur van NOS-radio ‘Die baan bestond voor 80 procent uit vergaderen en als ik ergens een hekel aan heb, is het dat. Dus toen ik met vut kon, dacht ik: ja, het is mooi geweest.’

Als langstzittende presentator van Met het Oog op Morgen, dat hij in 1986 voor het eerst presenteerde, bleef de lijn met Hilversum nog open. ´De gesprekken met collega ’s zal ik missen´, zegt Van Hoorn, maar hij ziet zich niet terugkeren in de arena. Al helemaal niet het Haagse strijdtoneel, waar collega´s van zijn leeftijd als Wouke van Scherrenburg en Ferry Mingelen toch moeite blijken te hebben met weggaan. ´Het is het centrum van de macht. Dat straalt ook een beetje op jou af. Als je daar gevoelig voor bent, is het erg verslavend. Ik heb altijd geprobeerd mij daar verre van te houden. ’

 

Hijgend

Twaalf jaar heeft Van Hoorn op het Binnenhof rondgelopen. Nee, niet één keer voor een quootje hijgend achter een minister aan gerend. ´Dat zou ik beneden mijn waardigheid hebben gevonden´, zegt Van Hoorn. De hijgerigheid in Den Haag is enorm, meent hij. ´Het gaat zo vaak nergens over. Mede door de commerciële omroepen, die een ongelooflijke vervlakking hebben teweeggebracht, is de verslaggeving steeds minder op inhoud en steeds meer op incidenten en winnaars en verliezers gericht. Hoe meer drama, hoe beter. Het is gevaarlijk om dat wedstrijdelement aldoor te benadrukken. Compromissen worden daardoor moeilijker, maar in de Nederlandse politiek kún je niet zonder.’

 

Absurd

Wat vroeger Telegraafjournalistiek werd genoemd, is gewone journalistiek geworden, constateert Van Hoorn. ‘Wat schiet ik op met de wetenschap dat Joran in Peru iemand vermoord heeft? Niks, het is eigenlijk een vorm van amusement. Hetzelfde met het meisje Milly, het jongetje Ruben. Dat je het meldt, oké, maar het kríjgt een aandacht! De maat is zoek.’

In het nieuwe seizoen zal dat alleen maar verergeren, verwacht Van Hoorn. De komst van vier actualiteitenrubrieken, waaronder Brandpunt, noemt hij absurd. ‘Ik bedoel: hoe krijg je nóg meer microfoons in beeld onder één spreker? Als er een onderwerp is, zal niemand zeggen: het is al zo uitvoerig in het Journaal geweest, we kunnen daarmee volstaan. Ik vrees dat iedereen weer achter elkaar aan gaat rennen.’

De radio begint daardoor ook steeds meer een eenheidsworst te worden, meent hij. Heel de dag een aaneenschakeling van interviews over vaak dezelfde onderwerpen. In de jaren dat Van Hoorn eindredacteur van Het Gebouw van de VPRO was, lette hij om het luisteren te veraangenamen sterk op vormafwisseling. Wat dat aangaat durft hij zich een vernieuwer van de radiojournalistiek te noemen.

 

Bakens

Ook bij de NOS-radio verzette hij bakens. Van Radio 1 maakte hij - met anderen - veel minder een ratjetoe, door redacties van de diverse zendgemachtigden zover te krijgen dat ze hun koninkrijkje verlieten en gingen samenwerken, zoals EO en VPRO in De Ochtenden. ‘In naam werkten ze in elk geval samen’, nuanceert Van Hoorn. ‘Een zender besturen met zóveel spelers lukt natuurlijk nooit van zijn leven’, tekent hij aan. ‘Ondanks alle gedane pogingen vind ik het ook nog steeds geen eenheid op Radio 1. Wat dat betreft heb je heel wat frustrerende baantjes in Hilversum.’

Zaken veranderen deed hij op dezelfde manier als hij interviewde: met geduld en een glimlach. ‘Dat had ik bij de VPRO wel geleerd. Als je riep ‘Dit moet zo en zo’, dan zei de redactie per definitie: ‘Zo gaan we dat dus niét doen, wie ben jij eigenlijk wel?’ Terwijl ik op dat moment de baas daar was.’

Henk van Hoorn heeft het idee dat journalisten in die dagen meer bezeten van het vak waren. ‘In de uitoefening zie je dat men minder kritisch is geworden. Grote schuldigen zijn de chefs die van hun redacteuren verlangen dat ze én aan nieuws denken en aan internet en aan tv. Daardoor hoor je ook de hele dag dezelfde onderwerpen en snelle interviewtjes. Journalisten hebben de tijd niet om een originele invalshoek te bedenken of met iets anders bezig te zijn. Er wordt CNN gespeeld. Sorry hoor, maar Nederland is geen Amerika. Waar je in de VS een massa onderwerpen hebt om hele uitzendingen mee te vullen, ben je in Nederland vrij snel uitgepraat. Althans, als je met onvoldoende mensen eraan werkt. En dat is het geval. Je ziet dat er ook aan af. Tot mijn leedwezen kan ik je zeggen.’

Sjak Jansen