Columns

Kijne: Tijs

Ik had me, toen ik twee jaar geleden grotendeels afscheid nam van Radio 1, voorgenomen om hier niet meer over de radio te schrijven.

Je wilt niet het risico lopen dat de mensen je zuur gaan vinden.

Want ik kom, wat radio betreft, uit het verleden. Nu komen we allemaal uit het verleden, sterker nog : er is alleen maar verleden. Maar dat is een andere kwestie. En dat verleden kan zo leeg zijn dat het er niet toe doet en dat het je al helemaal niet in de weg zit.

Maar mijn verleden was zo rijk, dat het me lelijk dwars begon te zitten. Mijn radiogeschiedenis bestaat voornamelijk uit een programma dat Het Gebouw heette en waar de jongere luisteraar zich helemaal niets meer bij voor kan stellen.

Het begon bijvoorbeeld altijd met een rustig, stemmig strijkje dat best eens zomaar een half minuutje kon staan voordat de eerste presentator zijn mond opendeed. Een soort begin waar je in deze tijd van jingles, stationcalls en snelle harde klappen meteen van zou denken dat er iets mis is met je toestel.

En ook verder was Het Gebouw vergeleken met de huidige radioaxioma’s een totale anarchistische bende. Het duurde uren, er gebeurden allerlei onverwachte dingen, gasten konden er zomaar hele zinnen zeggen en zelfs hele antwoorden geven, de presentatoren bedachten hun eigen vragen en de redacteuren deden hun eigen interviews, er zaten lange buitenland- en binnenlandreportages in, er was live-muziek, de oude Cor Galis las er met zijn woest doorrookte stem opruiende teksten voor en er waren kleine intermezzootjes van die andere grote radiostem, Arie Kleijwegt, die dingen zei als:

‘Toen ik vanochtend in de spiegel keek, dacht ik: ‘Blijft dat zo, die kop?’

Het was, kortom, levende radio en een feest om voor te werken.

En er werd massaal naar geluisterd.

In de jaren na Het Gebouw, zo ongeveer de laatste vijftien jaar, heb ik de ontwikkeling meegemaakt van die anarchistische bende naar wat Radio 1 nu is. En sommige van die ingrepen begrijp ik heel goed: dat er een Radio 1-journaal is gekomen, dat op dezelfde tijd iedere dag het snelle nieuws brengt. Dat de hele zender meer nieuwsgericht is geworden, in zijn formats, in de nieuwsuitzendingen en in de mogelijkheid om in te breken in de programmering wanneer dat nodig is. Dat er meer horizontale programmering is gekomen.

Maar van andere dingen heb ik nooit iets begrepen:

Dat er niet teveel stemmen te horen mogen zijn. Dat alles in drie minuten moet. Dat iedere geïnterviewde wordt toegesproken op een toon alsof hij eigenlijk allang tegen de muur had moeten staan. En dat hij alsnog tegen de muur gaat wanneer hij niet onmiddellijk het door de presentator gewenste antwoord geeft.

En last but not least: dat die vragen worden afgevuurd door een bekend televisiehoofd.

 

Het waren met name dat soort voor mij onbegrijpelijke radio-eisen die de afgelopen jaren steeds meer de programmering gingen bepalen. En twee jaar geleden moest het programma waar ik toen voor werkte, De Ochtenden, van de ochtend naar de middag verschuiven, met name om die redenen: teveel stemmen, te lange interviews, te lange reportages, niet snel en newsy genoeg .

‘Jullie zijn de NRC op de radio’, kregen we te horen, en dat was niet bedoeld als compliment.

Toen begon ik teveel last van dat zo verschrikkelijk leuke radioverleden te krijgen.

Het verleden komt niet terug en dat moet ook niet. Elke tijd stelt zijn eigen vorm- en inhoudseisen en ik had daar een hele tijd in mee kunnen gaan. Maar er zijn grenzen.

Sindsdien was er van het soort radio waar ik een fan van ben, het soort radio dus waar de presentator of interviewer zich zelf verdiept in de onderwerpen, waar op een vrij rustige toon verstandige gesprekken worden gevoerd, die best ook even mogen duren, radio waarin verschillende stemmen te horen zijn, zodat je verschillende toonsoorten en invalshoeken krijgt en de interviewers ook echt de tijd hebben om zich in hun onderwerpen te verdiepen, van dat soort radio was in de ochtend alleen Dit is de Dag nog een beluisterbaar voorbeeld.

Dat dreigt nu ook te verdwijnen.

Ook mijn eigen collega’s bij de VPRO krijgen weer een tik, maar daar zal ik het niet over hebben.

Tijs van den Brink voert actie tegen zijn verdwijning.

Ik steun Tijs.

En anders ga ik ook als luisteraar maar eens wat anders doen.