Columns

Kijne: Scheepsjournaal

Vrijdag 24 januari nog met strak blauwe lucht en zonovergoten de baai van Melbourne uitgezeild, met een aangenaam briesje vol achterop. Dat beloofde wat, de komende vier dagen voor het tochtje met de klipper ‘Stad Amsterdam’, a.k.a. De Beagle, naar Adelaide.

Maar ja, de weergoden.

De volgende ochtend was alleen de tocht van hut naar de longroom, de gemeenschappelijke ruimte waar onder meer gegeten wordt, al een behoorlijk avontuur. De flink aangewakkerde wind zette het schip op zijn kant en de zee tussen Tasmanië en Australië maakte golven waar de klipper zich enthousiast door liet optillen om vervolgens tussen de zes en zeven meter naar beneden te storten.

Zo ontstond een dubbele slingerbeweging die op een aanzienlijk deel van de VPRO-bemanning een curieuze uitwerking had. De dapperen die het nog hadden aangedurfd hun kooi te verlaten, zaten overwegend met een teint tussen spierwit en lichtgroen aan het ontbijt. Een ontbijt dat  de meesten net zo goed meteen over de reling hadden kunnen mikken zonder die ingewikkelde en hoorbaar onaangename omweg langs het maag-darmkanaal.

Een lekker dagje varen. En draaien. De onverstoorbare Amerikaanse filosoof Dan Dennett, zelf een ervaren zeezeiler, maalde er niet om en liet zich zonder probleem in Redmond O’Hanlons zwaar uit het lood hangende boekenhoekje duwen, waarna  cameraman Fels tegenover hem aan de wand werd gesnoerd en geluidsman Bert, inmiddels ook met een groen zweempje over zijn doorgaans zo montere koppie, zich overeind diende te houden aan een koperen stang om nog met één hand de boom te kunnen hanteren.

Zelf mocht ik op een krukje aan Hans voeten zitten, gedurende twee uur schrap met de voeten tegen de vastgeschroefde tafel om niet bij iedere slinger gezellig bij de Amerikaanse geleerde op schoot terecht te komen.

De wijsgeer zelf vond het allemaal prachtig. Zelfs toen vanuit de open pantry een hele bak servies door de ruimte kwam zeilen om met donderend geraas naast hem tegen de muur te pletter te slaan, ging hij onverstoorbaar door met uitleggen waarom Darwins idee nog steeds het meest geniale is dat hij in zijn wetenschappelijke carrière is tegengekomen.

Leuke man. Zijn echtgenote heeft mindere zeebenen. Net had zij zich ’s avonds, met bordje en bestek in de hand, opgesteld voor het diner-buffet toen ze eerst krachtig ruggelings tegen de wand achter zich werd gekwakt, om meteen daarna voorwaarts vol in de Bolognese te worden gekatapulteerd.

Nogal een ravage.

Maar inmiddels was dat normaal. Mijn meest memorabele scène van de dag was die aan het eind van een interview dat ik toch ijzerenheinig op het voordek wilde draaien, omdat het me zo spectaculair leek met die boeg die steeds klappen van zeven meter maakte. Gelukkig is Hans Fels van de soort cameralieden die daar de lol van inzien, dus terwijl hij door het volle gewicht van zijn assistent werd behoed voor een roemloos einde in de golven, draaide hij het gesprekje tussen Sarah Darwin en Dan Dennett over diens fascinatie voor haar over-over-grootvader en de vraag wat leven eigenlijk is.

Gesprekje klaar en Hans wil graag nog twee shotjes draaien. ‘I’m sorry, but I really think I have to go now’, zegt Sarah nog met stijve bovenlip. Om vervolgens  zo snel mogelijk het trappetje af uit zicht te verdwijnen op het middendek. Maar wel nog met haar zendertje op. Zodat geluidsman Bert, zelf inmiddels fysiek ook weer aan het wankelen, op zijn koptelefoon luid en duidelijk doorkrijgt hoe ook haar lunch in de golven verdwijnt.

Het zijn mooie avonturen. En het gaat nog ergens over ook. En het doet het allemaal zo fijn, op die zondagavond, die weer een beetje allure had gekregen na In Europa, Van Dis, De Oorlog, Jelle en Annie. En Zembla natuurlijk.

Ach Zembla. Ach Reporter. Ach Argos.

Ach, wat is Hilversum heerlijk ver weg.