Aan het einde van dit jaar heft de omni-vereniging OSO zichzelf op. Aanleiding: de werkgeversbijdrage van PNO Media is gestopt. De clubs hebben tot 31 december de tijd om te besluiten wat ze doen: zelfstandig doorgaan, fuseren met een andere vereniging of ophouden. Oud-voorzitter van het hoofdbestuur Coen Serré kijkt terug.
De voormalige VARA-man Serré raakte bij de OSO betrokken, doordat hij en zijn vrouw lid werden van de tennisvereniging. ‘Dat moet ergens in het midden van de jaren vijftig zijn geweest’, zegt de 87-jarige oud-omroeper. ‘We wilden gewoon wat spelen en het was bovendien goedkoop.’
De OSO, opgericht in 1946, bloeide in die tijd nog volop. ‘Omroepmedewerkers vonden het leuk om elkaar ook op andere terreinen dan het werk te ontmoeten. Het is toch een apart wereldje.’ Dat neemt niet weg dat ook vroeger al samenwerking werd gezocht met andere verenigingen als dat zo uit kwam. ‘We hebben als tennisvereniging voor de competitie een tijd samengewerkt met een andere club, Rapid. Als OSO Rapid Combinatie konden we dan de beste spelers van beide clubs opstellen.’ Een sportieve overweging dus, want financieel was er destijds geen probleem. Serré: ‘De tennisclub hield geld over, mede door het economische beleid van penningmeester Jo van der Kaa. Jan de Troye, die toen in het hoofdbestuur zat, hield dat andere clubs, die geld tekort kwamen, als voorbeeld voor.’
Betrokkenheid
Toen De Troye uit het bestuur stapte, volgde Serré hem op. In de jaren zeventig maakte Serré als voorzitter van het hoofdbestuur het 25-jarig jublieum van de OSO mee. Hij regelde een geruchtmakend feest, mede dankzij de betrokkenheid van de toenmalige NOS-voorzitter Emile Schüttenhelm. ‘Ik ging bij hem langs om te vragen of hij wat kon betekenen voor het feest dat we wilden geven. Schüttenhelm vroeg wat we van plan waren, en ik zei dat we het circus van Toni Boltini wilden laten optreden, maar dat we daar geen geld voor hadden. Schüttenhelm ontbood Carel Enkelaar van de NOS, en zei tegen hem: ‘Ik gelast je twee of drie programma’s over Circus Boltini te maken.’ We kregen twee voorstellingen: één voor de volwassenen en één voor de kinderen.’
Ook op andere momenten gaf de NOS-top blijk van warme belangstelling voor de OSO. ‘Op een gegeven moment wilde de Kampeerclub, die later de Touristclub ging heten, enkele stacaravans kopen’, herinnert Serré zich. ‘Het ging om een groot bedrag, dus ben ik met een clubbestuurder naar het NOS-bestuur gestapt. Vervolgens werden wij bij de financiële man geroepen, die vroeg: ‘U wilt drie caravans kopen? Voor die en die prijs? Ik ben zelf een enthousiast caravanliefhebber, jullie moeten een andere nemen. Die is wel duurder, maar veel beter.’ Waarna hij zei dat de NOS garant zou staan voor het geld. Voorwaarde was wel, dat hij inzage kreeg in de boekhouding, want hij was niet gek.’
Tijdgeest
Het verbaast Serré niet dat de omni-vereniging ophoudt te bestaan. ‘We leven in een andere tijd. Vroeger was het toch wat burgerlijker, gemoedelijker. Schüttenhelm en ik hadden allebei een padvinderijverleden al van voor de grote Jamboree van 1937, dat speelde een rol in het contact. Tegenwoordig zijn de werkgevers veel zakelijker. Je ziet ook al langer dat presentatoren makkelijk van de een naar de ander overstappen, ongeacht of het om publieke of commerciële omroepen gaat. De banden verflauwen. Het bestel takelt langzaam af, zo kan minister Plasterk pleiten voor fusies tussen de omroepverenigingen. Vlak na de oorlog waren we enthousiast, wilden we de boel weer opbouwen. Nu zijn ze bezig de schade te beperken. Omroepmedewerkers zoeken nu geen club, die zoeken een baan.’
Bas Nieuwenhuijsen